Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
194
XLII. IN DEKAPOLIS. 194
op). Maar deze aardsche weldaden moesten
ons dankbaar, liefhebbend, gehoorzaam
maken — om zoo ook onze zielen goed
te doen; doen zij dit? Mochten onze gees-
telijke behoeften niet onvervuld blijven,
omdat wij de hulp versmaden! Laat Hem
tekst om te leeren) al uw nooddruft
vervullen.
A anteekeningen.
1. Dekapolis was een groot district ten oos-
ten enzuidoosten van het meer Gennesareth;
het bevatte gedeelten van het oude Bazan
en Gilead, en werd zoo genoemd naar
tien steden {deca, tien; po^is, stad), welke
werden herbouwd, gedeeltelijk door vreem-
delingen gekoloniseerd, en met bijzondere
voorrechten begiftigd, toen de Romeinen
Syrië veroverden (65 v. G.). Tot deze be-
hoorden Gadara, Gerasa, Hippos, Pella
(waarheen de Christenen juist vóór de
verwoesting van Jeruzalem vluchtten),
Philadelphia (het oude Rabbath-Ammon)
en Scythopolis (het oude Bethsan), het
laatste aan de westzijde van den Jordaan.
Waarschijnlijk reisde Christus in oos-
telijke richting van Fenicië door Noordelijk
Palestina, daarna zuidelijk door Gaulonitis
en zoo naar de bergen aan de oostzijde
van het Meer. Na het spijzigen der 5000
stak Hij het Meer over naar Magdala
(Matth ), het tegenwoordige Medel, daar
juist tegenover. Markus zegt, dat Hij «in
de deelen van Dalmanutha» kwam, het-
geen men veronderstelt, dat op eene na-
burige plaats doelt.
2. Gewoonlijk worden de Apostelen van
groote ongeloovigheid beschuldigd, wegens
hun antwoord op Christus' opmerking
omtrent de hongerige schare, na het won-
der, dat zij Hem daarvoor hadden zien
verrichten; eenige schrijvers, van de ver-
onderstelling uitgaande, dat zulk een on-
geloof onmogelijk is, nemen gaarne aan,
dat het verhaal het eerste wonder slechts
op eene verschillende wijze weergeeft.
Maar ofschoon het zeer mogelijk is, dat
zij zich nogmaals aan ongeloof schuldig
maakten (verg. Num. XI ; 21, 22 met
Exod. XVI), duiden hunne woorden dit niet
noodzakelijk aan. De opmerking van Chris-
tus moest hun zeer natuurlijk toeschijnen;
er was geene aanduiding, dat Hij een
tvveede soortgelijk wonder zou gaan ver-
richten; en het zou voor hen even onge-
past zijn als voor Maria (Joh. H : 3, 4)
om er den Heer naar te vragen.
3. De « manden », welke bij deze gelegen-
heid genoemd worden, zijn niet dezelfde
als die, welke den vorigen keer gebruikt
werden. De Grieksche woorden zijn ver-
schillend. Al de vier Evangelisten gebruiken
hetzelfde woord (xo4);voc» kophinos) in
hunne mededeeling van het eersfe wonder;
Mattheus en Markus, de eenigen, die het
tweede wonder verhalen, gebruiken beiden
een ander woord {a-TvpiQ, spuris). Dit
onderscheid is ook behouden in de verwij-
zing van den Heer naar de twee wonderen
(Matth. XVI : 9, 10; Mark. VHI: 19, 20);
hetgeen een van de merkwaardigste «toe-
vallige overeenstemmingen » van de Schrift
is. De spuris was een zeer groote mand,
zooals blijkt uit het gebruik van het woord
in Hand. IX: 25, waar gezegd wordt, dat
Paulus door den muur nedergelaten werd
«in eene mand».
4. De volgende opmerking over het
zuchten van den Heer (Mark. VH : 44)
is van Luther afkomstig: — «Ditzuchten
van den Heer werd niet veroorzaakt door
de enkele tong en het oor van dezen armen
man; maar het was een zuchten om al
de tongen en ooren te zamen. Het groot-
ste kwaad, dat der Christenheid is aange-
daan, is niet voortgekomen van tirannen,
maar van dat kleine stukje vleesch, dal
binnen de kaken zetelt».