Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
XLII. IN DEKAPOLIS.
193
altijd? Waarom niet? — Wij zijn zelf-
zuchtig, hebben geen medelijden. Dus is
macht op zichzelf niet genoeg.
Hij wil, en kan — Hij kan, en wil ook —
welk een Vriend is de Heer Jezus I
II. Waarom werden deze be-
hoeften vervuld?
Was het, omdat Jezus het kon en wilde
doen? — omdat Hij medelijden had met
hunne kwalen en hun honger, en daarom
de wonderen verrichtte? Ja, Hij ivasaltijd
bereid om goed te doen. Toch had Hij
nog eene andere — eene hoogere bedoe-
ling. Toen Hij op die schare neerzag en
alles van die menschen wist, werd toen
Zijn medelijden alleen opgewekt door hunne
lichamelijke behoeften? Ach, Hij zag wat
de oorzaak was van alles — de zonde;
Hij zuchtte, omdat het volk onwetend was,
zonder God leefde (Zie Ef. II : 12). Wat
zouden deze wonderen nu misschien uit-
werken?
(a) Zij zouden hun spreken van Gods
macht en liefde — hun doen zien, dat Hij
zelfs voor deze arme, onwetende, verachte
veehoeders, schaapherders, enz. zorgde —
dat de God van Israël voor allen zorgt,
voor Grieken, Syriërs, Arabieren, zoowel
als voor Joden. Leerde het volk dit wer-
kelijk? Wien verheerlijkten zij?
(b) Zij zouden aantoonen wat Jezus*
macht voor geestelijke behoeften kon doen.
Waarvan zou de geraakte, die het gebruik
zijner ledematen terug ontving, een beeld
Zijn? {Les XXXVHI) de blinde, die weder
kon zien? 2 Petr. 1:9; Joh. II : 11;
Hand. XXVI : 18. Let op een wonder,
waarvan Markus ons alles verhaalt, VH :
31—37. Doofstom — hoe treurig en hulpe-
loos {beschrijf het). Toch is er een doof-
en stom-zijn erger dan dit — doof voor
Gods stem — stom in den zin van niet
in staat om te bidden, te zingen tot eer
van God, enz. En tot dezen kan Jezus
zeggen « Effatha ». — Hij kan het verstand
(Luk. XXIV : 45) en het hart (Hand. XVI :
14) openen, zoodal zij zeggen: «Spreek,
Heer, want Uw dienstknecht hoort» (1 Sam.
III : 9; verg. Ps. LXXXV:8; Hab. H:l).
Hij kan de tong losmaken, zoodat deze tot
God (Ps. V : 3, XXV : 12) en voor God
(Hand. V : 20) zal spreken.
(c) Zij werden op verschillende wijzen
verricht, opdat zij ook eene weldaad voor
de ziel zouden zijn. Zie hoe Jezus den
doove behandelde — niet evenals de an-
deren:— (1) De man kan zien en voelen,
maar niet hooren en spreken — Jezus
maakte dus teekenen, welke hij zien en
voelen kon, vers 33 — om hem te doen
begrijpen wie hem had genezen; (2) de
genezing geschiedde niet in het open-
baar — «Hij nam hem alleen», vers33;
(3) Jezus verbood hem het bekend te
maken. Wij weten niet welke de juiste
reden van dit alles was; maar het is zeker,
dat het was om op de eene of andere wijze
ook aan de ziel van den man goed te doen.
Hebben wij niet eveneens be-
hoeften ?
Aardsche behoeften — gezondheid, vrien-
den, eene betrekking, eene opvoeding,
levensonderhoud, enz.
Geestelijke behoeften — vergeving van
zonde, een nieuw hart, den Heiligen Geest,
kracht om de zonde te overwinnen, enz.
Christus kent onze behoeften.
Hij kent ze alle. Hij ziet neer op vele
scharen (b.v. op de schare der scholieren
in deze school), maar Hij kent afzon-
derlijk (u en u).
Heeft Hij medelijden? Ps. LXXXVI: 15;
Jes. LXHI : 9; Klaagl. IH : 22.
Heeft Hij macht? Matth. XXVIII : 18;
Joh. XVH : 2; Hebr. VHI : 25.
Vervult Hij werkelijk onze behoeften?
Bedenk — {tel uwe tijdelijke zegeningen
13