Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
XLI. IN FENICIË.
189
goud in het vuur, zie 1 Petr. I : 7). Wat
Hij zegt is waar, maar Hij zal hun bewij-
zen, dat deze arme Heidensche vrouw een
van de ware kinderen van Abraham is
(Zie Rom. IV : 11; Gal. IH : 8, 9). Zie
nu haar volharding. Zij zijn in het huis
gegaan {zie Aant, 3), maar zal zij buiten
gelaten worden? Zie, zij is naar binnen
gedrongen en ligt aan Jezus' voeten — hoor
hare smeekingen, vers 25 — nu moei de lief-
derijke Heiland toch toegeven — neen, Hij
geeft haar den gehaten naam van « hond»
— «hoe kan Hij aan haar geven, wat
aan het uitverkoren volk toebehoort?»
(c) Hare nederigheid. Ja, laat haar een
« hond » zijn — zij ergert zich hieraan niet
— maar hoe kan Hij haar dan weigeren
wat zij vraagt? — Eten de honden niet de
kruimels? — Zij verlangt niets van hetgeen
den kinderen toekomt — laat haar slechts
het deel der honden hebben {Zie Aant. 5).
Eens zagen wij, dat Jezus zich verwon-
derde over «groot geloof» (L^s XXHI) —
en dat was ook bij een Heiden; zoo is
het hier weer. Wat is het loon van dit
geloof? Zij wordt weggezonden (Mark.
VH : 29) — maar hoe? Hoe waar is onze
eerste tekst om te leeren!
Wij zien dus, —
1. Ongeloof heeft ten gevolge, dat zege-
ningen worden weggenomen.
De Galileérs hadden Jezus een langen
tijd bij zich — geloofden niet — sommigen,
die geloofd hadden, waren toch wegge-
gaan — wat verloren zij nu? Hoevele zege-
ningen hebben wij — niet alleen aardsche,
maar ook Hemelsche — Bijbels, kerken,
scholen, onderwijzers — boven alles een
machtigen Heiland en Vriend, die ons ge-
durig Zijne genade wil bewijzen. Hechten
wij hieraan geene waarde? Dan zullen
wij reeds hier zegeningen missen, en
wanneer de dood komt —? Hoe, indien
er eens eene «groote kloof» (Luk. XVI :
26) zal zijn tusschen ons en Christus?
Het kan zoo gaan met sommigen, die
(evenals de Joden) denken, dat, met hen
ten minste, alles in orde is.
2. Geloof heeft ten gevolge, dat zege-
niijgen worden geschonken. Zie welke soort
van geloof de Fenicische moeder had: —
(а) Het was aan den rechten Persoon
geschonken. Zij geloofde in Jezus, in den
Messias Gods — in Zijne macht — in
Zijne bereidvaardigheid om te helpen. Laat
ons dit ook doen. Velen stellen hun ver-
trouwen op iets anders — zij willen ge-
lukkig zijn — zij vertrouwen op hun geld;
zij willen wel, dat hun vergeven wordt —
maar vertrouwen op de gedachte, dat God
niet zoo hardvochtig zou kunnen zijn om
hen te veroordeelen: zij willen er zeker
van zijn, dat zij in den Hemel komen —
zij vertrouwen er op, dat zij niet slechter
zijn dan andere menschen, enz. Maar
bedenk toch, dat niemand of niets, be-
halve Jezus, hulpelooze zondaars kan ver-
lossen, en hulpeloos zijn wij allen, of wij
het gevoelen of niet.
(б) Volhardend. Hebt gij gebeden en
zijt gij niet verhoord geworden? Bij som-
migen is dit het geval. Misschien zal Jak.
IV : 3 u de reden hiervan geven, maar
misschien wacht Christus, omdat Hij wil, dat
gij voortgaat met vragen. Wie zoude u eene
gunst toestaan, indien gij er om vraagdet,
maar dan wegliept en er niet meer aan
dacht? Indien gij waarlijk de zegeningen
van Christus verlangdel, zoudt gij doorgaan
met vragen, zelfs al waart gij 7iiet zeker
er van hoe Hij u zou ontvangen.
Maar zijn wij hiervan niet zeker? Wat
is Zijne eigen belofte? Joh. VI : 37; en
zie Ps. XXVH : 14, XL : 1; Jes. XXX :
18; Klaagl. Hl : 26; Luk. XVIH : 1—8.
Ga tot Hem, geloovende, dat Hij is (2'^«
tekst om te leeren) «een belooner der-
genen, die Hem zoeken ».