Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
183
XLI. IN FENICIË. 209
noemt, vers 7; hoe Hij het volk openlijk
tegen hen waarschuwt, vers 10, 11; hoe
dit hen ergert, vers 12. Zonder twijfel
wordt nu het overige gedeelte van het
volk, dat reeds wankelt in zijn gevoelen,
nog meer Hem vijandig.
Wat doet Jezus? vers 21. — Hij ver^
laat hen. Juist zooals Hij Jeruzalem had
verlaten, toen Hij vervolgd werd (Aan-
hangsel IV, blz. 89) — evenals Hij zich
korten tijd te voren terug had getrokken,
toen Hij te Kapernaüm was (Les XXXH).
~ Hij verlaat dus nu Galilea — gaat
naar het land, waar Elia een toevlucht
vond (1 Kon. XVH : 9). Om wat te doen?
Niet om te prediken, maar om in afzon-
dering te zijn, zie Mark. VH : 24 (verg.
VH : 36; VIII : 26; IX : 30). {Zie Aant.
1). Waarom? (a) Zijne «ure» is nog niet
gekomen om te lijden; (b) de rust, die
Hij nog niet had gevonden (Les XXXIX),
zal Hij misschien kunnen hebben wanneer
Hij verder weggaat; (c) op die wijze kan
Hij tijd vinden om Zijne getrouwe volge-
lingen te onderwijzen.
Zijne getrouwe volgelingen — er zijn
er eenige — wie? Zie Joh. VI : 66—69.
Zij zijn er van overtuigd, dat Hij de Messias,
de Zoon van God is — vooral na hetgeen
zij dien nacht op het Meer gezien hebben
(merk op Matth. XIV : 33) — dus blijven
zij standvastig, wanneer hunne vrienden
zich van Hem afkeeren. Met dezegetrouwen
gaat Jezus weg.
Zeer waarschijnlijk zijn de Apostelen
diep ter neer geslagen bij zulk een einde
van een jaar arbeid. Maar zij zullen ver-
schillende aanmoedigingen ontvangen —
heden zullen wij er van eene hooren.
II. Christus door de geloovige
Heidensche vrouw gezocht.
Het is een Heidensch land, waar Jezus
nu is {Zie Aant. 2), Hij is hier vroeger
niet geweest, maar de inwoners hebben
reeds van Hem gehoord — sommigen
zijn naar Galilea gegaan om Hem te zien
(Mark. IH : 8).
Hier zijn eene moeder en dochter. Hoe
aangenaam, wanneer eene dochter tot
hulp en een troost is voor hare moeder!
— wanneer kan deze het niet zijn?
Eensklaps verbreidt zich het gerucht, dat
de machtige Nazarener, die met één woord
duivelen uitwerpt, hier is! Zal de moeder
voor haar kind tot Hem gaan? «Maar
Hij is een Jood — zal Hij haar niet be-
schouwen als een hond {zie Aant. 5),
zich met verachting van haar afwenden?
Behoort zij niet tot het vervloekte geslacht
van Kanaan ? Waren hare voorvaderen
niet Israëls ergste verleiders en vijanden? »
(1 Kon. XVI: 31; Ezech. XXVI: 2). Toch
zal zij zich wagen aan verachting en
weigering, en gaan. Merk nu drie dingen
van haar op:
(a) Haar geloof. Zij ziet Jezus met de
Twaalven wandelen. Hoe spreekt zij Hem
aan? vers 22 — «Zone Davids » — dan
weet zij van den verwachten Messias, —
gelooft, dat Hij het is. Geloofden de Joden
dit? En evenals de melaatsche (Matth.
VIII: 2) twijfelt zij niet aan Zijne —
zij smeekt alleen om «genade».
(ö) Hare volharding. Welk antwoord
krijgt zij? vers 23. Toch roept zij Hem na.
De discipelen verontrusten zich — indien
zij blijft roepen, zullen zij opgemerkt wor-
den — indien zij tot het huis toe volgt,
zal het bekend worden, waar zij zijn (zie
Mark. VII : 24) — zij moeten zich van
haar bevrijden, of zij een antwoord ont-
vangt of niet {Zie Aant. 4). Maar Jezus
zal hun een aanmoediging geven in hunne
verslagenheid {zie hiervóór), door hun
te toonen, dat er toch nog geloof in Hem
bestaat, ofschoon er te Kapernaüm zoo
weinig van te bespeuren was — daarom
zal Hij haar geloof beproeven (evenals