Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
XLI. IN FENICIË.
187
den schrijver goed heeft gedacht het tot het hoofdonderwerp van deze Les te
maken; en verre van aan de meer practische punten van het te lezen Schriftgedeelte
te kort te doen, wordt door deze wijze van behandelen, welke de tegenstelling
tusschen het ongeloof van de Galileêrs en het geloof van de Fenicische moeder
doet uitkomen, het schoone voorbeeld der laatste in het helderste daglicht gesteld.
Le inleidende paragraaf van de Schets is niet volstrekt noodig voor de Les,
maar zij zal van nut zijn bij de uitlegging van de woorden des Heeren tot
Zijne discipelen.
Reeds dikwijls is de gedachte uitgesproken, dat, terwijl de Heer uiterlijk de
vrouw scheen te verstoeten. Hij haar innerlijk door Zijne genade hielp vol-
houden. Dit wordt toegelicht door Bunyan's beeld van het vuur, dat helder
brandde, niettegenstaande al het water, dat er in werd geworpen: de olie, die
iemand er ongemerkt ingoot, was hiervan de oorzaak.
Schets van de Les.
Toen God aan Abraham beloofde, dat
«zijn zaad» (nl. Christus) tot een grooten
zegen zou wezen, welke menschen zeide
Hij toen, dat dien zegen zouden hebben?
Gen. XXH : 18 — «alle volkeren». En
van waar waren de scharen der vei losten
gekomen, die Johannes in heerlijkheid zag?
Openb. VH: 9 — «uit alle volken enz.
Maar toen de geheele weield God had
verlaten, koos Hij één volk, dat Hem in
het bijzonder zou toebehooren — om het
op te leiden tot Zijne kennis en Zijn
dienst, — om aan dit volk Zijne bood-
schappen aan de menschen in bewaring |
te kunnen geven, — opdat eens de Messias
uit deze uitverkoren natie zou kunnen
voortkomen.
Wanneer de Heiland kwam, aan wie zou
dit dan het eerst verkondigd worden? Hand.
XIH : 46. Maar niet zij alleen. Toen Hij
naar den Hemel terug was gegaan, dan
«alle volken». Luk. XXIV : 47.
Toch kwamen er een of twee Heidenen
tot Jezus, toen Hij op aarde was (Voorb. —
Als de eerste droppelen van den komen-
den regen), Matth. H : 2, VIH : 5; Joh.
XH : 20, 21 {Zie Les VI, XXIII). Zie
heden eene Heidensche vrouw. Zie de
tegenstelling tusschen de ongeloovige Joden
en deze geloovige vrouw.
I. Christus trekt zich terug van
de ongeloovige Joden.
Langer dan een jaar is Jezus in Galilea
geweest. Wat heeft Hij daar gedaan? (Les
XXI). Hoe vele honderden zijn genezen,
of hebben hunne zieke bloedverwanten
zien genezen — hoe vele duizenden hebben
Zijne woorden van genade gehoord? En
toch, welke uitwerking heelt dit gehad?
Onverholen haat en tegenstand van som-
migen; llauwhartige half heid van anderen
{Les XXXIII). Het is waar, dat de me-
nigte, toen zij op wonderbare wijze door
Hem gespijzigd was, Hem tot Koning wilde
uitroepen, maar toen Hij geestelijk voedsel
aanbood, verlieten zelfs sommige van Zijne
discipelen Hem.
En nu weder een aanval tegen Hem.
Zij zijn opgegaan voor het Paaschfeest (zie
Joh. VI : 4) en komen terug met een
grooter aantal kwaadwillige Schriftge-
leerden uit Jeruzalem {Zie Les XXXI,
Aant. 2). Zij houden niet op beschuldi-
gingen tegen Hem te zoeken — nu heb-
ben zij weder iets nieuws, vers 1, 2;
verg. Mark. VH : 1—5. Zie hoe Hij hen