Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
186
XU. IN l'ENICIÉ.
Les, Aant. 1. Het zou onmogelijk zijn hier
de verschillende meeningen omtrent deze
plaatsen en de richting van de reis te
behandelen. De tocht was van de vlakte
van Butaiha naar Khan Minyeh. Na «25
of 30 stadiën (Johannes) gevaren te hebben,
kon het schip op een punt gekomen zijn,
dat nog ver genoeg van Khan Minyeh was,
om « midden in de zee » genoemd te wor-
den {Matth, en Mark.). Daar de wind
tegen was (uit het westen), moest hij uit
de hooge bergengte, de Vallei der Duiven
genaamd, komen, en over de vlakte van
Gennesaret tot aan het Meer heenstrijken,
de wateren hiervan met geweld opzweepen,
en zijne kracht tot in het binnenste van
het schip doen gevoelen. Indien het gaan j
naar Hethsaïda eenvoudig bestond uit het ;
varen langs de kust naar Bethsaïda Julias,
of indien Kapernaüm te Teil Hum was,
zou dit bijna onmogelijk te rijmen zijn
met den afgelegen afstand, of de werking
van den wind, nf de andere omstandig-
heden, die vermeld worden. '
2. Onze vertaling in Joh. VI geeft nauw- i
keurig het oorspronkelijke weer ten op- |
ziehte van de twee Grieksche woorden, die j
gebruikt worden, tAo/oi'(pZoion) « schip », j
en TAo/ap/öi/ (ploiarïon) «scheepje», en '
het onder.scheid is zeer belangrijk. De
discipelen staken het Meer over in hun
«schip» of groot visschersvaartuig; maar
Johannes zegt, dat de schare, die den vol-
genden dag naar Jezus uitzag, bemerkte, ;
dat er geen ander «scheepje» was, dan ,
hetgeen waarin de discipelen gegaan waren, !
en dat Jezus daarin niet gegaan was. Hij
voegt er bij, dat andere «scheepjes» van
Tiberias kwamen, en dat de menschen
in « schepen » gingen om naar Kapernaüm
terug te keeren. Indien dit onderscheid
niet met zorg gemaakt wordt, ontstaan er
moeilijkheden; b.v. wordt in Joh. VI : 17
aangeduid, dat de discipelen, nadat zij
weggevaren waren, verwachtten, dat Jezus
hen zou volgen, maar hoe konden zij dit
denken, indien zij het eenige vaartuig ge-
nomen hadden? Waarschijnlijk behoorde
het ééne «scheepje» aan de plaats of
aan een naburige visschershaven, en lag
daar om de menschen van de grootere
«schepen», die een eind van den oever
aflagen, aan wal te brengen. Dit «scheepje»
bracht de discipelen naar hun «schip »en
kwam daarna terug, en zij dachten, dat
Jezus het kort daarop ook zou gebruiken,
om tot hen af te komen. Maar dit deed
Hij niet, zooals wij weten; en de schipper
kon den volgenden dag vertellen, dat hij
Jezus niet overgevaren had.
3. <i De vierde nachtwake», d. i. van
3 tot 6 uren voorm. Oorspronkelijk telden
de Joden slechts drie waken (in Klaagl.
H : 19; Richt. VH : 19 en Kx. XIV : 24
vermeld); maar later kwam de Romeinsche
verdeeling van den nacht in vier waken
in zwang. Zij worden alle vier in Mark.
XIH : 35 genoemd.
4. « Wilde hun voorbijgaan » {Markm).
Om hun geloof te beproeven. Verg. Luk.
XXIV : 28.
5. De woorden van Petrus: «Indien Gij
het zijt» drukken geen twijfel uit of het
Jezus wel was; «indien» heeft de betee-
kenis van «daar». Het «Kom!» van den
Heer is niet zoozeer bevelend, als wel
vergunnend. Toch is de daad van Petrus,
ofschoon zij hem gedeeltelijk door ijdel
zelfvertrouwen werd ingegeven, niet geheel
te veroordeelen. Groote dingen voor Chris-
tus te durven, is op zichzelf niet ver-
keerd; alles hangt af van den geest, waarin
zij gedaan worden. Jezus keurt de daad
zelve niet af, zegt niet: «Waarom zijt gij
gekomen?» En men vergete niet, dat
Petrus eenige oogenblikken op de zee
wandelde: een schoone toelichting voor
Matth. XVII : 20.
Les XLI. — In Fenieië.
M^Want eenzelfde is Heer van allen, rijk zijnde over allen, die Hem aanroepen».
Te lezen — Matth. XV : 21—28; {verg. Mark. VI : 24—30).
Te leeren — Rom. X : 12; Hebr. XI : 6. (Ps. 145 : 6).
Voor den Onderwijzer.
Het tijdperk in de bediening van den Heer, waartoe wij nu gekomen zijn
(zie Aant. 1), is van zooveel belang en van zulk een groot gewicht, dat het