Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
185 XL. HET WANDELEN OP DE ZEE.

worpen, evenals Jezus — weinige uren
geleden hielp hij bij de uitdeeling van dat
wonderbare brood — zeker (zoo denkt hij)
kunnen wij alles doen wat Hij doet —
ook op de wateren wandelen. Zie hoe hij
het beproeft — ja, hij wandelt werkelijk
op de zee — eensklaps een kreet — hij
zinkt — nu helpt geene bedrevenheid in
het zwemmen (Joh. XXI: 7) — dan wordt
eene machtige hand uitgestrekt, en hij
en Jezus zijn in het schip. Daarna nog
twee wonderen (vers 32, Joh. VI : 21).
1. Waarom zonk Petrus? zie vers 30 —
«bevreesd»; en waarom bevreesd? —
«toen hij zag, dat de wind sterk was».—
Hij zag dus — waarnaar? Was de storm
niet even hevig, toen hij uit het schip
ging? — Maar toen zag hij dit niet —
hij dacht er niet aan — zijn oog was toen
op Jezus gevestigd — daarom kon hij op
de zee wandelen. «Op Jezus zien» —
dat is het eenige middel om sterk en
moedig te zijn.
2. Wat ontbrak hem? Zie wat .lezus
tot hem zegt, vers 31. « Kleingeloovige!» —
bewees hij ïiiet een groot geloof te hebben,
door zich op het water te wagen? —
Neen, hij dacht gedeeltelijk aan zichzelf,
hoe hij een wonderdaad ging verrichten —
er was een weinig geloof, maar ook ijdel-
heid — hij wilde meer dan de anderen
doen (verg. Mark. XIV : 29, 30, en 2den
tekst om te leeren). Toen hij zonk, had
hij de hand van Jezus noodig om gered
te worden — maar kon Jezus hem niet
op een afstand gered hebben? — dif had '
hij moeten gelooven. Hij had meer geloof !
van noode.
Wij zien dus het geheim van
ware kracht.
1. Jezus ziet op ons. Is dit eene aan-
gename gedachte? Niet voor Zijne vijan-
den: zie wat een Goddelijke blik tegen
hen vermag, Exod. XIV : 24. Maar zie
welk eene kracht Zijn volk er door kan
ontvangen. Richt. VI : 14. Wij moeten
er slechts aan blijven denken, dat Hij ons
gadeslaat. De discipelen dachten, dat Hij
ver weg was; dit schijnt ons ook zoo toe.
Wij kunnen Hem niet zien, maar Hij is
daar {Voorb. — De zon, al is zij door de
wolken bedekt, schijnt toch). Hij is aan
Gods rechterhand, maar wat doet Hij daar?
Rom. VIII : 34; en Zijne blikken dringen
door tot de aarde en Hij kan met ons
i zijn, juist wanneer wij hulp behoeven. De
duisternis moge ons groot toeschijnen;
wanneer Hij nabij is, kan het geen nacht
voor ons zijn.
2. Wij moeten « op Jezus zien » (Heb.
XII : 2). Wanneer wij in droefheid, ge-
vaar, angst zijn, moeten wij naar Hem
uitzien — Hij kan komen als wij Hem
niet verwachten — op eene wijze, waaraan
wij niet gedacht hebben. En bij elke schrede,
die wij doen opeen moeilijken, onzekeren,
gevaarlijken weg — trachtende Jezus gelijk
i te zijn, te handelen zooals Hij, Hem na
te volgen te midden van moeite en
gevaar — wat moeten wij dan doen?
Onze oogen op Hem gevestigd houden —
de oogen van ons verstand en ons gemoed
— onze gedachten', dan zullen wij onder-
vinden hoe waar de belofte van Jes. XLIH : 2
is. Indien wij beginnen te zinken. Iaat ons
dan roepen: «Heer, red mij!» (verg. Ps.
LXIX : 1, 2). Dan zullen wij met den
Psalmist zeggen (XCIV:18): «Als ik zeide,
mijn voet wankelt; Uwe goedertierenheid,
0 Heer, ondersteunde mijl».
Aanteekeningen.
1. De reis der Apostelen was van de
«woeste plaats van de stad, genaamd
Bethsaida» (Luk. IX : 10) over het Meer
naar «Bethsaida» (Mark. VI 45). Het
eerste was Bethsaida Julias in Gaulonitis;
het laatste Bethsaida van Galilea; zie vorige