Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
184
XL. HET WANDELEN OP DE ZEE.
Het wordt donker. Met bezwaarde en
twijfelmoedige harten begeven Petrus en
zijne metgezellen zich aan boord van het
schip. Een tijdlang talmen zij nog dicht
bij den oever, in de hoop, dat Jezus tot
hen af zou komen (Joh, VI : 17); maar
de wind en de zee verheffen zich — indien
zij over willen steken, moeten zij dadelijk
voortgaan, en zij kunnen Zijn nadruk-
kelijken bevelen niet ongehoorzaam zijn.
Zie hoe het eenige uren later met hen ge-
steld is — de nacht is bijna voorbij (zie
Aant. 3) — en zij zijn nog in het midden
van het Meer, door wind en golven heen
en weer gedreven — tevergeefs trachten
zij den oever te bereiken. Hoe levendig
zullen zij zich dien anderen nacht herin-
neren, toen zy bijna vergingen! (Les
XXXVI). Ja, maar toen was Jezus bij hen
— en wat deed Hij voor hen? — maar
nu (denken zij) is Hij buiten het bereik
van hunne kreten. Wat maakt hen dus
moedeloos? — de hevige wind, de bul-
derende zee, de lange, moeilijke nacht?
— Iets meer dan dit alles — de afwezig-
heid van hun Meester. Zij gevoelen nu
hoezeer zij Hem noodig hebben, hoe slecht j
het met hen gaat zonder Hem.
Maar Jezus zal hun toonen, dat Hij bij
hen kan zijn, zonder dat zij Hem zien —
hen kan bewaken en voor hen zorgen,
zonder dat zij het weten. Waar was Hij j
al dien tijd geweest? vers '23. Bedenk '
toch — Hij was daarheen gegaan om rust
te nemen — en wat heeft Hij in den
morgen gedaan (Luk, IX : 11), in den
namiddag (vers 19), avond (vers 22)? En j
nu is Hij dien geheelen donkeren, storm- j
achtigen nacht op die woeste bergen, '
biddende! Maar heeft Hij de Twaalven,
die Hij had gekozen, vergeten? Zie Mark. ■
VI : 48 — Hij zag, dat zij zich zeer '
pijnigden om het schip voort te krijgen.»
Hoe kon Hij, door de zwarte duisternis
heen, op die verre wateren zien? Zie Ps.
CXXXIX : 12 (verg. Ex. Hl : 7; 2 Kron.
XVI : 9; Ps. XXXIH : 15, LVI : 8).
Jezus ziet het! met welk eene mede-
lijdende liefde, met welk eene vriendelijke
hulpvaardigheid! «Hij zag, dat zij zich
pijnigden» — elke vermoeide riemslag,
elke angstige blik naar de golven, elke
moedelooze gedachte in het hart wordt
door Hem opgemerkt. Maar Hij zal hen
niet te spoedig helpen — zij hebben nog
iets te leeren (Zie hiervóór).
En nu nog een wonder. Wat hadden
Zijne oogen gedaan? Wat doen nu Zijne
voeten? Is dit geene Goddelijke macht?
Zie Job IX : 8; Ps. LXXVII : 19. Hier is
Zijne ware heerlijkheid: — Hij is Koning,
heerscht over de geheele natuur (zie Ps.
XXIX : 10) — welke waarde kan Hij
hechten aan eene aardsche kroon? Zijne
koninklijke macht zal Hij gebruiken, niet
om den Joden eer te geven, maar om
over Zijne discipelen te waken, en voor
hen te zorgen.
II. Hoe de dienstknechten van
Christus op Hem moeten zien.
(Lees vers 26—33).
Zie nu weder naar het schip. Allen zijn
verschrikt — niet om den storm — waar-
om dan? Zouden zij ontsteld zijn geweest,
indien zij verwacht hadden Jezus te zien?
Maar dat Hij hen toen zag, op die wijze
tot hen kwam! — hiervan hadden zij
geen denkbeeld. Zij kunnen hunne oogen
niet gelooven; maar hunne ooren — wiens
stem is dat? «Ik ben het!» — ja, hun
Meester, die zoo dikwijls hun schip ge-
bruikt heeft, toont hun nu, dat Hij het
niet noodig heefl.
In een oogenblik is de moed van Petrus
teruggekomen. — «Ja, het is waar. Hij
is al hetgeen wij ons van Hem hadden
voorgesteld, en nog veel meer.» Petrus
heeft zieken genezen, en duivelen uitge-