Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
183 XL. HET WANDELEN OP DE ZEE.

koninkrijk, welke het volk had. Het tweede punt komt slechts ierloops in de
Schels voor; toch moet het niet geheel weggelaten worden. Het eerste geeft,
in de tweevoudige wijze, waarop men het beschouwen kan, de twee gedachten-
reeksen van de Schets aan.
Door gebrek aan ruimte is de wijze van toepassing slechts zeer kort aange-
duid. Niemand zal moeilijkheid hebben met het toepassen van het eerste punt;
maar het tweede vereischt, dat de bijzondere omstandigheden en de kring,
waarin elk leerling verkeert, eenigszins in aanmerking worden genomen. Om
een voorbeeld te geven van de manier, waarop het uitgewerkt kan worden: —
Een jongen, met den ijverigen (ofschoon misschien tijdelijken) wensch bezield,
om met volkomen oprechtheid, voorbeeldige zachtheid of standvastige zelfop-
offering te handelen — in één woord, om aan Christus gelijk te zijn — zal
ondervinden, zooals Petrus, dat, ofschoon de eerste stap niet moeilijk is, de
daaropvolgende dit in de hoogste mate zijn. Van waar kan hij kracht en bij-
stand verwachten? Hij heeft slechts zijne gedachten (de oogen van zijn verstand
en hart) op Hem gevestigd te houden, Wiens oogen ons altijd bewaken.
Schets van de Les.
Wat moeten deze 5000 menschen ge-
voeld hebben, toen zij van hun over-
vloedig maal opstonden ? Zij hebben gezien
hoe Jezus zieken genas, — dat heeft Hij
ook heden gedaan (vers 14) — maar nu
gevoelt ieder, dat was een wonder voor
mijy ik had honger, ik ben verzadigd ge-
worden — ieder in het bijzonder heeft
er voordeel van getrokken. Stel u de
verbaasde blikken, de levendige woorden-
wisseling, de verwondering voor, wanneer
de Apostelen de «twaalf volle korven op-
nemen » met de overblijfselen van wat
drie uur geleden nog niet bestond! Zij
herinneren zich hoe de hongerende Israë-
lieten in de woestijn met «brood uit den
hemel» (zie Joh. VI : 31) gevoed werden
— en «sprak Mozes niet van een profeet
(Deut. XVIII: 15), dien God zoude zenden,
aan hem gelijk?» —; zeker zien zij nu
dien Profeet vóór zich. Zie Joh. VI : 14,
15. Den geheelen morgen had Hij hun
gesproken van het «Koninkrijk», dat komen
zou (Luk. IX: 11). — «Hij zal onze koning
zijn! » roepen zij uit. — « Naar Jeruzalem!
Hem op het groote feest tot Koning uit-
roepen — weg met den moordenaar van
Johannes, en met den gehaten Pilatus!»
Maar zouden de Apostelen niet beter
weten, en het volk tot bedaren brengen?
Neen, het schijnt niet, zie vers 22. —
Jezus is gedwongen hen weg te zenden
(en dan willen zij nog nauwelijks gaan —
Hij moet ze adwingen») eer Hij het volk
uiteen kan doen gaan. Zij zijn opgewon-
dener dan ooit — zij hebben wonderen
kunnen veirichten {vorige Les) — heden
hebben zij brood uitgedeeld, dat nooit ge-
groeid, gemaaid, gedorscht, gemalen of
gebakken was — en nu wil eindelijk
het volk zijn Koning ontvangen — zeker
is het groote, gelukzalige tijdperk ophanden!
Deze uitdeeling had hun iets moeten
leeren (vorige Les); maar nu zal Jezus
hun eene nog ernstiger les geven, waar-
uit zij hunne zwakheid en Zyne heerlijk-
heid kunnen leeren kennen. Dienzelfden
nacht deed Hij dit; laat ons zien, —
I. Hoe Jezus Zijne dienstknech-
ten gadeslaat (Lees vers 22—25).