Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
182
XL. HET WANDELEN OP DE ZEE.
« J.veehonderd penningen », in nomi-
nale waarde gelijkstaande met /" 78, maar
in werkelijkheid eene veel grootere som,
door de verschillende waarde van het geld.
De « penning » was hetgeen een arbeider
per dag verdiende (Matth. XX : 2); de
geheele som kan dus gelijk geschat worden
met het loon van 200 dagen. Het is waar-
schijnlijk, dat dit het bedrag was van het
gemeenschappelijk fonds der Apostelen ; en
Philippus wilde zeggen: «Indien wij alles
uitgeven wat wij hebben, zal het nog niet
genoeg zijn.»
5. In Matth. XIV : 15, 23 worden de
twee avonden der Joden genoemd; de
eerste, welke te drie uren 's nam. begon,
overeenkomende met onzen namiddag, en
de tweede, welke een aanvang nam met
zonsondergang.
6. Er zijn verschillende merkwaardige
uitdrukkingen in dit verhaal. « Bij waard-
schappen» (Mark. IV : 39) beteekent
«gezelschappen van gasten aan tafel».
« In gedeelten » (vers 40) beteekent « als
bloembedden », de menschen zaten in rijen
en groepen op de helling der berg:en, bij-
wijze van de terrasvormige tuinen in
Palestina. « Bij zaten, ■ elk van vijftig »
(Luk. IX : 14) beteekent, dat er vijftig op
eene rij (op één zetel) waren. De « korven »
waren van mandewerk, en de Romeinsche
satirist Juvenalis vermeldt, dat zij gewoon-
lijk door de Joden gedragen werden, waar-
schijnlijk om te voorkomen, dat zij zich
met Heidensch voedsel verontreinigden.
7. Het «danken» {Johannes) en het
«zegenen en breken» (Matth., Mark.,
Luk.), hetgeen algemeen bij de Joden
gebruikelijk was, moet door den Heer op
bijzondere wijze gedaan zijn; zie later de
verwijzing er naar in Joh. VI : 23, waaruit
blijkt, dat het indruk had gemaakt (verg.
Luk. XXIV : 30, 31). Dezelfde uitdruk-
kingen komen voor bij de beschrijving van
de instelling des Avondmaals.
8. Dit wonder, dat ons de scheppende
macht van den Heer doet zien, is zeer
merkwaardig, nog meer buiten het bereik
van onze zinnen dan dat van het veran-
deren van water in wijn (Zie Les XV,
Aant. 1). Men moet het" met soortgelijke
wonderen in het O. Testament vergelijken,
1 Kon. XVH : 16; 2 Kon. IV : 2—5,
42—44. Philippus' ongeloovige vraag kan
vergeleken worden met die van Mozes,
Num. X[ : 22.
Les XL. — Het wandelen op de Zee.
« Zonder Mij kunt gij niets doen ».
Te lezen — Matth. XIV : 22—33; {verg. Mark. VI : 45-52; Joh. VI : 14—21).
Te leeren — Ps. XXXVH : 23, 24; Jes. XLIII : 2; 1 Cor. X : 12. (Ps. 103 : 7).
Voor den Onderwijzer.
Het verhalende gedeelte dezer Les is natuurlijk welbekend en gemakkelijk;
maar, zooals in soortgelijke gevallen, legge men er zich met zooveel te meer
zorg op toe, om het als het middel te gebruiken, waardoor men geestelijke
leeringen kan geven. Om dit met goed gevolg te doen, is het noodig na te
gaan, wat de voorvallen van dien merkwaardigen nacht aan de discipelen
leerden, zoodat de practische lessen, die wij er uit putten, als vanzelf uit
het verhaal voortvloeien. Voor de discipelen was het juist toen noodig, dat zij
twee zaken leerden, nl. (1) hunne geheele afhankelijkheid van Christus,
opdat zij zich niet bovenmate zouden verheffen op hunne macht om wonderen
te doen; (2) waarin de ware heerlijkheid van Christus bestond, opdat zij niet
op een dwaalspoor gebracht werden door de denkbeelden van een aardsch