Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
180
XXXIX. HET SPIJZIGEN DER VIJF DUIZEND.
(a) Hij gebruikte al het voedsel, dat er
te krijgen was; (6) liet de discipelen hard
werken met de verdeeling er van; (c) liet
niet toe, dat er iets verloren ging (Joh.
VI : 12). Wat leerde Hij hiermede? Dat,
ofschoon God hen niet zou vergeten, of-
schoon zij niet te veel aan lichamelijke
behoeften moeten denken, zij niet altijd
wonderen kunnen verwachten, maar te-
vreden behooren te zijn, wanneer hunne
behoeften op de gewone wijze vervuld
worden.
3. Maar waren dit werkelijk « mensche-
lijke middelen », eene « gewone wijte » van
handelen? Konden de discipelen en «het
jongsken» hen gespijzigd hebben? Zijn
zegen was onontbeerlijk. En zoo is het
altijd: daarom moeten zij tot Hem zien
als den Gever van alle goede dingen,
zelfs van die, welke voortgebracht schijnen
te worden door eigen of eens anders
arbeid.
Deze drie Lessen zijn ook voor ons
{herhaal), (a) Indien wij eerst « zoeken »
Gods wil te doen, zullen «al deze dingen
ons toegeworpen worden». {Voorh. —
Een winkelier, die niet meer op Zondag
wil verkoopen; een jongen, die aan school
en kerk de voorkeur geeft boven eene
plaats, waar des Zondags gewerkt wordt),
{b) Wij zullen geholpen worden zonder
wonderen, met « gewone middelen » ; wij
moeten deze dus niet veronachtzamen
(zie 2 Thess. IH : 10—12) — en niet
verloren doen gaan wat wij hebben —
«vergader de brokken» van geld, tijd,
enz. (c.) Maai- zie de hand Gods in al de
aardsche zegeningen, die wij ontvangen;
bid dus: « Geef ons eiken dag ons dage-
lijksch brood ».
in. Wat het Wonder den dis-
cipelen leerde omtrent geestelijk
voedsel.
1. Zij hadden geestelijk voedsel gegeven
aan de inwoners van Galilea — hoe? vers
12, 30. Met welke gevoelens waren zij
teruggekeerd? {Zie hiervóór). Wat doet
Jezus nu ? Hij zal hun aantoonen, hoe weinig
reden zij hebben tot zelfverhelfmg —
hoe? vers 37 — «Geeft gij hun te eten»,
Joh. VI : 5, 6 — tvaarom zeide Hij dat
tot Philippus? In welk eene verlegenheid
bevinden zij zichl — zelfs al gaven zij
al hun geld uit {Zie Aant. 4), dan zou het
nog lang niet genoeg zijn. En toch, kort
daarop — zijn die groote scharen « ver-
zadigd » ! Kunnen zij niet zien hoe hulpeloos
zij zijn zonder Hem? — Het geestelijke
voedsel (het onderwijs, enz.), dat zij als
apostelen geven, is niet het hunne — zij
kunnen zelf geene « hongerende ziel ■ ver-
zadigen — slechts geven wat Jezus hun
geeft.
2. Hadden zij zeiven niets te doen?
Moesten zij niet naar voorraad zoeken
(vers 38), wat zij gevonden hadden aan
Jezus brengen (Matth. XIV : 18), om het
te verdeelen, wanneer het gezegend was?
Zoo is het ook met het geven van gees-
telijk voedsel; zij moeten niet denken,
omdat alles van Jezus komt, dat zij
niets behoeven te doen — zij moeten
den moed niet opgeven en werkeloos zijn
— veel zou er juist van hun ernst en
werkzaamheid afhangen.
Zoo is het met ons, onderwijzers. Wij
geven u, kinderen, geestelijk voedsel,
wanneer gij daar in rijen of afdeelingen zit
(evenals het volk op het gras). Wij moeten
hard werken — en toch, wat wij u geven,
behoort ons niet toe — alles is van Christus.
Maar —
Wat is dit geestelijk voedsel?
Jezus zegt het ons, Joh. VI : 35, 48, 51.
alk ben het Brood des Levens». Wat
beteekent dit?
Wat is brood (en ander voedsel) voor
ons lichaam? Het onderhoudt — houdt