Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
179 XXXIX. HET SPIJZIGEN DER VIJF DUIZEND.

naüm vinden? vers 31. Er zijn dus twee
redenen, waarom Jezus weggaat: deze, en
Zijne droefheid over den dood van Johannes
(Zie vorige Les).
Zij gaan naar den oever — in het schip
— de oude wijze om afzondering te zoeken
(Zie Les XXXII, XXXVI). Over het Meer
— niet naar het land der Gergesenen —
naar eene eenzame plaats (Zie Aant. 1),
waar zij ongestoord kunnen zijn — op de
bergen aldaar (Joh. VI : 3).
Maar nauwelijks zijn zij aangekomen,
of zij worden door scharen volks omringd.
Van waar? vers 33 — sommigen zijn ander-
half uur ver komen loopen, van Kaper-
naüm, langs de noordelijke punt van het
Meer — over den Jordaan — menigten
volks voegen zich bij hen op hun weg.
Hoe ontvangt Jezus ze ? vers 34 (verg.
Les XXXII). — Hij kan zich niet van hen
afwenden (zie Rom. XV : 3) brengt
den langen dag door met onderwijs te
geven en genezingen te volbrengen —
daarna zal Hij hun eene wonderbare proeve
van Zijne liefde en macht doen zien, en
tegelijkertijd aan de Apostelen leeren, dat
zij niet ijdel en op zichzelf vertrouwend
moeten zijn. Zie op welke wijze.
I. Het Wonder.
Het wordt laat — de menschen hangen
nog aan Jezus* lippen — vergeten den
tijd. (Met wie onzer gaat het evenzoo in
kerk of school?) Eindelijk houdt Jezus op
— hier zijn Andreas en Philippus onder
de menigte — waarnaar vragen zij? vers
38, Joh. VI : 5—9. De oplettende toe-
hoorders denken nu aan hetgeen hun te
doen staat — zij zijn vermoeid en hon-
gerig — voor sommigen is het te ver om
naar huis te gaan — zij moeten eene
«herberg» zien te vinden {Zie Luk.
IX : 12). Maar nu bewegen de discipelen
zich in hun midden — wat zeggen zij?
Stel u de verbaasde blikken en woorden
voor, wanneer zij nederzitten — wat kan
dit alles beteekenen?
Hier zitten zij, op de met gras begroeide
helling; de regelmatigheid der groepen
en rijen doet denken aan terrassen in
sommige tuinen (Zie Aant. 6). Daar is
Jezus — voor allen zichtbaar—wat doet
Hij? — Het is alsof Hij «dankt» (Zie
Aant. 7). Maar de voorraad — waar? —
zelfs geen mandvol. Zie nu de discipelen —
zij gaan van man tot man, van rij tot rij
— brood en visch in overvloed — nog
eens rond — en nog eens — zeker met
stil ontzag — totdat zij verzadigd zijn!
Nog meer zelfs — de grond is bedekt met
de'overblijvende brokken, welke te zamen
veel meer uitmaken dan er eerst was!
II. Wat het Wonder aan het
volk leerde omtrent lichamelijk
voedsel.
1. Waartoe ,waren zij daar gekomen?
Niet zooals naderhand (Joh. VI ; 26) —
om gevoed te worden — zij dachten niet
aan zoo iets; neen — maar om onder-
wezen te worden. Indien zij het allermeest
gedacht hadden aan hetgeen zij na eenigen
tijd noodig zouden hebben, waren zij dan
van zoo ver gekomen, zouden zij zoolang
zonder voorraad gebleven zijn? Maar zij
waren zoo verlangend naar Jezus' woorden,
dat zij aan niets anders konden denken
(verg. Job XXHI : 12). Zou Jezus hun
om dezen ijver gebrek doen lijden? W^at
had Hij gezegd, Matth. VI: 25, 33? Door
het wonder heeft Hij hun geleerd hoe
waar deze woorden waren.
2. Maar hoe vervulde Jezus hunne be-
hoeften? Hij verrichtte een groot wonder,
dit is zeker; toch gebruikte Hij men-
schelijke middelen. Wat is dit? Bedenk
toch — Hij had al dat groene gras in
brood kunnen veranderen, opdat zij in
staat zouden zijn het zittende te verza-
melen en te eten. Maar wat deed Hij?