Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
176
XXXVIII. DE DOOD VAN JOHANNES DEN DOOPER. 176
ven. Hoe wreed! — en toch, bedenken
jongens en meisjes niet dikwijls booze
plannen tegen degenen, van wie zij een
afkeer hebben? Maanden lang ziet zij naar
eene gelegenheid uit. Eindelijk is de «wel-
gelegen dag» gekomen. {Lees vers 21—25).
— Stel u haar boosaardig genoegen voor.
Denk ook aan de gevoelens van Herodes;
ofschoon door den wijn verhit, is hij toch
«zeer bedroefd»; wat zal hij doen? Zal
hij zijn eed houden? — Hoe eerder een
slechte eed gebroken is, hoe beter. Zal
hij de ergernis zijner hovelingen vermij-
den?— Hoe dikwijls worden slechte dingen
gedaan, uit vrees voor ergernis! Maar was
hij verplicht het noodlottige bevel te geven?
Wat zou hij gedaan hebben, indien Salome
hem om zijn eigen hoofd gevraagd had?
De daad wordt spoedig volbracht, vers
26—28; niet lang daarna ziet de koningin
het hoofd van haren vijand — hij is ein-
delijk tot zwygen gebracht. Neen, nog
niet; zijn bloed heeft eene stem, welke
tot Gods oor opklimt (Gen. IV : 10) —
hoe zal zij deze tot zwijgen brengen? en
eens zal de stem van Gods verbroken wet
haar aanklagen — hoe zal zij deze het
zwijgen opleggen?
III. De herinnering aan den
getrouwen getuige blijft bestaan.
Bij Herodes^ vers 14—16. Het bericht
komt aan het hof, dat een machtig profeet
in Galilea predikt en wonderen doet. Een
der hovelingen kan dit bevestigen — werd
zijn eigen zoon niet genezen! {Les XVIII).
Maar het schuldig geweten van Herodes
kan slechts aan één profeet denken —
aan dien, welken hij vermoord heeft; « kan
hij het zijn — machtiger nog dan vroeger —
door God teruggezonden in de wereld?» —
(de Dooper had geen wonderen gedaan.
Joh. X : 41). Hoe waar zijn de woorden
van Zach. 1 : 5, 6 — de profeet kan
sterven, maar zijne woorden blijven bestaan.
Bij zijne volgelingen, vers 29. Zij zijn
hem tot het laatst toe getrouw geweest —
hebben hem in beproevingen niet verlaten
— hem in de gevangenis bezocht (Luk.
VII : 18) — beproefd zijne wenschen te
volbrengen (Luk. V : 33). Nu kunnen zij
zelfs geen laatsten blik slaan op het gelaat,
dat zij liefhadden — slechts het onthoofde
lichaam wordt hun toegeworpen. Dit be-
graven zij met groote droefheid — wat
zullen zij nu doen? Waarheen zullen zij
gaan? Wat zou hun gestorven meester
wenschen, dat zij deden? Zij herinneren
zich van Wien de «Getrouwe Getuige»
getuigenis gaf—tot Wien hun oude mede-
discipelen heengingen — tot Hem wenden
zij zich ook nu, Matth. XIV : 12. Zijn
sommigen onzer treurig te moede? Laat
ons «heengaan en het aan Jezus bood-
schappen». Hoe zal Hij ons ontvangen?
Matth. XI : 28; 1 Petr. V : 7.
Bij Christus. Wat deed Jezus, toen Hij
het treurige nieuws hoorde? Matth. XIV:
13 — toont dit niet welk een leed Hij
droeg om Zijn standvastigen dienstknecht,
Zijn « getrouwen Getuige » ? En het her-
innerde Hem aan nog een moord, die
gepleegd zou worden, zie Matth. XVII: 12.
Maar bedenk toch! hoe wonderbaar! —
door dien dood was er eene plaats ge-
reed voor Johannes in de heerlijkheid des
Heeren, en evenzoo voor elk ander «ge-
trouw getuige» (Col. I : 12—14).
l)e herinnering der dooden blijft
bestaan. — Denk een oogenblik hieraan.
1. Getrouwe getuigen spreken tot ons
{noem een leeraar of onderwijzer, ouders
of vrienden). Indien één van hen stierf,
hoe zouden wij dan aan hem denken?
Zooals Herodes aan Johannes dacht — als
aan iemand, die hen had gewaarschuwd en
tot het goede had zoeken te brengen,
maar dien hij verworpen en gedood had?
Zouden wij moeten zeggen: «Het is nu