Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
XXXVIII. DE DOOD VAN JOHANNES DEN DOOPER.
175
stond in het koninklijk paleis te midden
van de wufte hovelingen {zie Les XVIII).
Wat zal hij Herodes zeggen ? Zal hij hem
van Jezus spreken? Maar zoude hij hierom
geven? Hoe had Johannes het volk voor
Jezus' komst voorbereid? {zie Les X) —
Hij had hun van hunne zonden gesproken.
Evenzoo zal hij met den koning doen. Daar,
aan de zijde van Herodes, zit de koningin;
waarom moest zij daar niet zijn? vers 17
{Zie Aant. 1) — welk gebod werd door
deze twee overtreden? Maar zal Johannes
den moed hebben dit onderwerp aan te
roeren? De «getrouwe getuige» is niet
gekomen om te vleien, maar om op die
zonde te wijzen, welke hem de zaligheid
zal doen derven, vers 18 (zoo deed Elia
met Achab en Izebel, 1 Kon. XXIj. Wat
is het gevolg?
1. Hij wordt door Herodias gehaat,
vers 19. Van wien hebben zondige men-
schen den grootsten afkeer ? Van diegenen,
die hen bestraffen; b.v. Achab. van Micha,
1 Kon. XXH : 8. Geen wonder, dat Herodias
Johannes haatte. Wanneer de haat in het
hart wordt geduld, dan kunnen de gevolgen
verschrikkelijk zijn (b. v. Kaïn). Welke
waren zij hier? Maar zij kon Johannes
niet ter dood hebben gebracht — waarom ?
2. Hij werd gevreesd door Herodes, vers
20. Stel u die twee mannen voor: — den
koning met al zijne hovelingen en officieren,
zijn woord eene wet, hij kon doen wat hij
wilde; den profeet, alleen, zonder bescher-
ming, aan de genade des konings overgele-
verd; wie was hier degeen, die voor den ander
bevreesd was? Johannes stoutmoedig en
onbevreesd. Herodes beangst en sidderende
voor Johannes (verg. Hand. XXVI: 26; Spr.
XXVHI :1). Waarom beangst ? Zijn geweten
klaagde hem aan — de vinger was gelegd
op de wonde — wat zal hij doen? De
zonde opgeven? Afstanddoen van Herodias?
Dat kan hij niet — toch doet hij vele
dingen (misschien gebeden, aalmoezen,
evenals de Farizeèn) — in de plaats daar-
van. Zou dit even goed zijn? {Voorb, —
Indien er een lek aan den eenen kant
van eene boot is, wat helpt het dan of
er aan den anderen kant eene plank
wordt geslagen"? — dat eene lek zal
haar doen zinken). Het is juist die zonde,
welke ons «het lichtst omringt», welke
wij af moeten leggen (verg. den rijken
jongeling. Mark. X : 21, 22). Maar wat
doet hij met Johannes? Hij durft niet
iemand dooden, dien hij gevoelt, dat
Gods afgezant is, dien hij gaarne over
andere onderwerpen hoort spreken; maar
« om Herodias' wil» (hoe machtig was de
zonde!) sluit hij hem op in zijn donker
kasteel bij de Doode Zee {Zie Aant. 2);
dit zal haar tevreden stellen en hem
beveiligen tegen hare plannen {Zie Aant. 3).
II. De getrouwe getuige tot
zwijgen gebracht.
Zie Johannes, eens zoo in aanzien bij
het volk (« geheel Judea ». enz. volgde hem
toen) — wegkwijnende in een kerker —
daar (waarschijnlijk) reeds een geheel
jaar opgesloten. Langzaam gaat de eene
maand na de andere voorbij in zijne
donkere cel. Eindelijk komt er een krijgs-
man van de wacht van Herodes — wat
eischt hij? Het hoofd van Johannes —
terstond — hij kan niet wachten — en,
binnen weinige minuten, waar is dan
Johannes? De treurige gevangenis en de
ruwe kleeding worden verwisseld — waar-
voor? Zie Openb. VII: 9—17. Geen wonder,
dat Paulus kon zeggen, 2 Cor. IV: 17,18.
Hoe was dit alles gebeurd? De zondige
koningin was niet tevreden zoolang Johan-
nes leefde — zij ziet welk eene onrust
hij bij Herodes teweegbrengt — zoude
zij den koning niet op zekeren dag kunnen
overhalen hem uit den weg te ruimen? —
Hij moet op de eene of andere wijze ster-