Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
XXXVII. DE ÜEZETENE IN HET LAND DER ({ER(;ESENEN.
169
met Hem « varen », moeten wij niet ver-
wachten, dat de « zee » altijd effen zal zijn,
— stormen zullen opsteken, tegenstand
van allerlei aard van degenen, die Christus
niet liefhebben — afkeurende blikken,
bittere woorden, onvriendelijke daden —
deuk niet, dat dit «iets vreemds»(1 Petr.
IV : 12) is — Christus heeft het ons
«voorzegd» (Matth. XXIV : 25; Joh. XVI: 4,
33; Hand. XIV : 22; 1 Thess. Hl : 4;
2 Tim. Hl : 12).
(2) Hoe moeten wij deze stormen ver-
duren? Met geloof? Wanneer moeten wij
vertrouwen? tekst om te leeren) —
aten allen tijde»—wij moeten dus altijd
bereid zijn — altijd wakende — Christus
moet nooit kunnen zeggen: «Waar is uw
geloof?» Wat zal ons dan beschermen?
Ps. XXXII : 10. En wat zullen wij gevoe-
len? Jes. XXVI: 3 — «allerlei vrede», niet
omdat er geen gevaar is, maar omdat wij
weten, dat het alles goed moet zijn.
(3) Waarom kunnen wij dit geloof
hebben? Omdat Christus met ons is (Jes.
XLIII : 2). En waarom stellen wij zulk een
vertrouwen in Hem? Omdat wij die twee
zaken van Hem weten {herhaal) — (a)
Dat Hij voor ons kan gevoelen, omdat Hij
mensch is; {b) Dat Hij ons, daar Hij God
is, kan versterken, redden en (2f'e tekst om
te leeren) «tot de haven onzer begeerte
brengen». Mochten wij allen de woelige
wateren van deze smartvolle wereld over-
steken, totdat wij eindelijk komen aan het
land van eeuwig leven!
Aanteekeningen.
1. De woorden van Markus in vers 35—
« op denzelfden dag als het avond gewor-
den was» — stellen vast, dat de tocht
over hel Meer aan het einde van dien
grooten dag, welks gebeurtenissen in de
laatste vier Lessen behandeld zijn gewor-
den, plaats heeft gehad. Hetgeen Mattheus
er ons van mededeelt, is blijkbaar niet in
de juiste tijdsorde gegeven. Zie Aanhangsel
over de Tijdrekening, blz. ,90.
2. Zie over het Meer van Gennesaret,
Aanhangsel, blz. 98. Klein als het Meer
is, en stil als zijne wateren over het alge-
meen zijn, is het onderhevig aan de
zwaarste stormen, ten gevolge van de ruk-
winden, welke door de bergenglen naar
beneden strijken. De woorden, welke door
de Evangelisten gebezigd worden, zijn
merkwaardig; Markus en Lukas spreken
van een a storm van wind»\ Mattheus
spreekt van de uitwerking op de zee, en
bezigt een woord, dat de grootste beweging
aanduidt en ergens anders in het N. Testa-
ment voor een aardbeving gebruikt wordt.
Les XXXVII. — De bezetene in het land der Gergesenen.
«Hiertoe is de Zoon van God geopenbaard, opdat Hij de werken des duivels
verbreken zou ».
Te lezen — Mark. V : 1—20; {verg. Matth. VHI : 28—34; Luk. VIII : 26—39).
Te leeren — 1 Joh. Hl : 8; Joh. VIII : 34, 36. (Ps. 30 : 1; Gez. 84 : 1, 2).
Voor den Onderwijzer.
De behandeling van het onderwerp dezer Les gaat met vele bezwaren
gepaard en de onderwijzer zal wèl doen goed in het oog te houden, dat deze
van zoodanigen aard zijn, dat zij alle uitlegging onmogelijk maken, omdat zij
voortspruiten uit onze volkomen onwetendheid omtrent de voorwaarden, aan