Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
168
XXXVI. DE NACHTELIJKE TOCHT OP HET i[EER.
vreezen, wanneer zij in Hem geloofden?
Maar wat moesten zij gelooven? Dat Hij
alle ramp verre van hen zou houden? —
Neen, maar, dat wat er ook kwanie
(zelfs verdrinken), het alles goed zou zijn,
wanneer Hij slechts bij hen was.
(6) Het was niet dadelijk gereed.(a Waar
is uw geloof? ») Misschien, als zij rustig
neer hadden kunnen zitten en denken,
hadden zij dan wel vertrouwen gehad;
maar toen hun geloof eensklaps vereischt
werd, was het niet bij de hand.( Voorbeeld.—
Evenzoo zou een generaal zeggen: « Waar
is uw zwaard?» of ((schild» (zie Ef.
VI : 10) — tot den soldaat, die zonder
dit wapen ten strijde ging).
Nu staat Jezus op. Hij spreekt tot
den wind. Wat gebeurt er nu? «groote
stilte» — de storm bedaard, het meer
glad als een spiegel, het schip onbeweeg-
lijk. Hij heeft Zijne macht getoond over
ziekten, duivelen, dood — nu over de
natuur. Had de hoofdman geen gelijk? —
dezen waren allen Zijne onderdanen — tot
allen kan Hij zeggen: «Doet dit» en zij
doen het (Les XXHI); zie CoLI:15—18.
Merk op de vraag van de zeelieden, vers
51 — « Wie is toch deze? — Kunnen
wij dit beantwoorden? Bedenken wij, dat
(a) Hij een mensch is — geen engel —
bleek dit niet uit dien nacht? Hij was
vermoeid door den arbeid des daags, het
gebrek aan voedsel, het «tegenspreken
der zondaren s (Hebr. XH ; 3) — evenals
wij zouden geweest zijn. Hij ligt daar te
slapen — stel het u voor — «Wie is
toch deze? Zie Hebr. H : 14, 17, IV : 15—
« Hij weet wat maaksel wij zijn» — zal
Hij geen medelijden hebben.
Hij meer dan een mensch is — en
toch geen engel — bewees die nacht niet
wie Hij is? Zie Job XXXVIH : 8—11;
Ps. LXV : 6—8, LXXXIX : 9, 10, XCHI:
3, 4. Had Hij niet tot de bevende disci-
pelen kunnen zeggen: «Laat af, en weet,
dat ik God ben» (Ps. XLVl : 11)? Dan
hadden zij de drie eerste verzen van dien
Psalm kunnen aanhalen.
II. Wat de tocht den Apostelen
leerde.
(1) Wat zij zeker konden zijn in hunne
bediening te zullen ontmoeten. Stormen
— moeilijkheden, dreigende hen te over-
weldigen, en ook het « schip » (het Konink-
rijk, de Kerk). Dit gebeurde ook; zie Hand.
IV : 17, 18; VHI : 1; 2 Cor. I : 8. En
gedurig weder. Vervolging, valsche leer,
zonde, het bedrog en de listigheid van
den duivel en de menschen.
(2) Hoe zij aan zulke stormen weer-
stand moesten bieden. Door het geloof.
« In stilheid en in vertrouwen » (Jes. XXX :
7, 15; verg, Exod. XIV : 14). Niet door,
als Elia, alles voor verloren te houden
(1 Kon. XIX : 4). Het is waar, zij zouden
niet altijd gered worden — zij zouden
eens sterven — maar de zaak was veilig
— de Kerk buiten gevaar.
(3) Waarom zij op hun geloof moesten
I vertrouwen. Omdat Christus met hen was.
In het schip dachten zij, dat Hij hen niet
kon helpen, omdat Hij sliep. Maar wij
behoeven dit nooit weder te vreezen —
1 waarom? Ps. CXXI : 4; Jes. XL : 28.
En indien Hij met hen was, wie kan dan
tegen hen zijn? (Ps. CXVHI : 6; Rom.
VHI : 31).
m. Wat deze tocht op het
Meer ons leert. Juist dezelfde dingen.
(1) Wat wij zeker zullen ondervinden :
Stormen — zorgen en moeilijkheden —
dingen, die ons doen vreezen, namelijk,
wanneer wij op reis zijn — welke reis?
Het leven van den Christen is als eene
reis. Christus heeft tot ons gezegd:«Laat
ons overvaren aan de andere zijde —
welke «andere zijde»? Vreezen wij «van
wal te steken » ? Maar indien wij waarlijk