Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
XXXVl. DE NACHTELIJKE TOCHT OP HET MEER.
1G7
Schets van de Les.
De lange dag is bijna voorbij. Herinner
u wat er in was voorgevallen: Jezus in de
bergen, wakende na een nacht van gebed —
de twaalf Apostelen gekozen — terugkeer
naar Kapernaüm — menigten volks —
bezetenen genezen — godslastering der
Schriftgeleerden — Maria en de anderen
pogen Hem te weerhouden — dan het
gaan naar het Meer — in het schip —
de gelijkenissen — weder naar huis —
uitlegging der gelijkenissen aan de disci-
pelen. {Zie de vorige vier Lessen).
Jezus is uitgeput van vermoeienis —
geen wonder! Toch dringen de scharen
zich nog om Hem heen — wat nu te
doen? Hij gaat weder naar den oever —
met haast in een schip, zonder den
tijd te nemen om zich te verkwikken of
voor te bereiden — zal het Meer over-
steken, om aan de andere zijde in de woeste
bergen eenzaamheid en rust te vinden.
Maar er is nog eene reden voor Zijn
gaan. Wat heeft Jezus den discipelen ge-
zegd ? (Vorige Les). Waarom ? Zij had-
den op treurige wijze den moed verloren;
juist toen zij plechtiglijk tot hun nieuw
ambt waren aangesteld, scheen het, dat
«alle dingen tegen hen waren» — pries-
ters en oversten, voor wie zij ontzag had-
den, vielen Jezus openlijk aan — Zijne
eigen bloedverwanten waren tegen Hem.
Hij had hun dus gezegd, dat al deze dingen
te verwachten waren — de harten der
menschen slecht {« Zaaier ») waren — de
Satan zijn arbeid niet staakte(«OnArwid »);
en toch zou het Koninkrijk grooter worden,
en zij, indien zij getrouw waren, eens
«blinken als de zon». En nu zal Hij hun
hetzelfde leeren — over beproevingen en
hoe zij die moeten dragen — maar op
een andere wijze.
I. De Reis.
Ongeveer zes mijl te gaan — een
aangename tocht des avonds over het
; kalme, blauwe water. Maar ziet!er komen
zwarte wolken op boven de bergen —
hevige rukwinden worden door de steile
bergengten uitgestooten — de zee begint
te woelen — zij schijnt te koken. Maar
Petrus en zijne metgezellen zijn hieraan
gewoon — zij weten het roer en de zeilen
in een storm goed te hanteeren — schep-
pen behagen in de golven — vergeten
hunne treurige moedeloosheid ten opzichte
van het «koninkrijk». Maar ziet — zelfs
zij, de onverschrokken visschers, zijn nu
beangst! Nooit zijn zij in zulk een storm
geweest — alles, wat zij gedaan hebben,
is tevergeefs — de golven zullen spoedig
het schip vullen — zij gaan zinken! (Zie
andere stormen op zee, Ps. CVIl: 23—30;
Jona I; Hand. XXVH).
Waar is Jezus? Aanschouwt Hem —
in diepen slaap verzonken — uitgeput
door den arbeid en den strijd van den
langen dag. De wind huilt boven Zijn
hoofd — de golven spatten tot in Zijn
gelaat — het water in het schip rijst tot
de plaats, waar Hij zit — toch is er niets,
dat Zijn slaap verstoort! (Wie sliep ook
in een storm? .Tona I — maar hoe ver-
schillend ! — daar was de slapende de
oorzaak van den storm — hier is hij er
de gebieder van). Met vertwijfelende kreten
wekken zij Hem — misschien zou Hij ze
nu zelfs op de een of andere wijze kunnen
redden. Verschrikt Hij, nu Hij den storm
hoort bulderen? Wat doet Hij vóórdat
Hij opstaat, Matth. VIH : 26 ? Maar waarom
verdienden zij eene berisping? Hadden zij
geen geloof getoond? Wat deed hen tot
Hem roepen? Maar hun geloof had twee
gebreken: —
(a) Zij hadden niet genoeg geloof,
(«kleingeloovig») — toonden dit door
« vreesachtig » te zijn — hoe konden zij