Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
XXXV. HET LEEREN DOOR (ÏELIJKENISSEN.
11.
165
dit? De woorden van Hem, die stierf,
om ons een weg te openen, waardoor wij
kunnen ontkomen. « Hoe zullen wij ont-
vlieden, indien wij op zoo groote zaligheid
geen acht nemen?» (Hebr. H : 3).
Van de Tarwe — de «rechtvaardigen».
Is het moeilijk ze nu te onderscheiden?
waarom? omdat hun licht niet schijnt, zoo-
als het moest (Matth. V: 16; Phil. H: 15).
Maar dan zullen zij «blinken» (verg.
Dan. XII : 3) — duidelijk gezien worden
(Rom. YHI : 19; Col. IH : 4); blinken
«als de zon» — «Hem gelijk wezen»
(1 Joh. IH : 2), die de «Zon der gerech-
tigheid» (Mal. IV : 2) is.
O, mochten wij allen «in de schuur
vergaderd» worden!
Aanteekeningen.
1. Zie over de algemeene bedoeling en
volgorde van deze gelijkenissen de voor-
gaande Les, Aant. 1 en 2; en bijbehoo-
rend Aanhangsel.
2. De boosaardige handeling, waarop de
gelijkenis van het onkruid gegrond is, is,
volgens Thomson, in het hedendaagsche
Palestina onbekend; maar Trench geeft
voorbeelden aan uit Indië en Ierland, en
Alford verhaalt, dat op zijn eigen land
eens door kwaadwillige handen onkruid
over de tarwe gezaaiii is. De Romeinen
hadden eene wet tegen deze handelwijze.
Het Grieksche woord voor «onkruid»
is zizania, hetgeen afgeleid is van het
Arabische zawan, den naam van een on-
kruid, in Nederland als heHk bekend, en
dat zeer algemeen is in de landen om de
Middellandsche Zee. De Latijnsche naam
is loliuni en Virgilius (Georgicon I : 154)
spreekt van «infelix lolium». Het zaad is
vergiftig en de naam zaïuan stamt af van
het Arabische woord braken. Stanley zag
vrouwen en kinderen bezig met het uit-
trekken van de zawan, die hier en daar
vanzelf op het veld was opgekomen;
maar dit kon niet gedaan worden, wanneer
het met opzet over het geheele veld ver-
spreid was, daar het in den halm bijna
niet van de tarwe was te onderscheiden.
Sommige schrijvers nemen, in overeen-
stemming met den Talmud, aan, dal het
onkruid eene verbasterde soort van koren
is, en de menschen van het land zijn deze
meening nog toegedaan; maar er is geen
bepaalde grond voor.
3. De «akker» in deze gelijkenis wordt
gewoonlijk voor een beeld van de « Kerk »
gehouden; maar de Heer zegt «de Akker
is de wereld», in welke overal het «zaad»
gezaaid moet worden (Matth. XXIV : 14;
Mark. XVI: 15). De Kerk is in den «Akker»
1 en zal in de « Schuur » zijn. Maar de toe-
passing, welke zoo dikwijls, sedert de dagen
van Augustinus tot nu toe, van de gelij-
kenis gemaakt is ten opzichte van twisten
en oneenigheden in de Kerk, is even waar
als treffend. Het antwoord van den land-
man op de vraag zijner dienstknechten
kan zeker als een bewijs aangenomen
worden voor Jezus' afkeuring zoowel van
de vervolging der «ketters» (waardoor zoo
dikwijls de tarwe bij vergissing uitgeroeid
is), als van de (altijd vruchtelooze) pogingen
om eene reine Kerk te maken, door het
onkruid te verplanten. Dit worde echter
niet als de hoofdgedachte van de gelijke-
nis beschouwd, welker bedoeling veel meer
is: (1) om op de oude vraag «welke de
oorsprong van het kwaad is», het ant-
woord te geven — « Een vijand heeft dit
gedaan»; (2) om het einrfe van alle dingen
te openbaren.
4. De woorden, door « wereld » vertaald
in vers 38 en 39, zijn verschillend; in het
laatste vers zou het eigenlijk moeten zijn:
«het einde van het tijdperk of de bedee-
ling ». «Ergernissen» — letterl. valstrikken.
De «kinderen des koninkrijks», in dit
hoofdstuk, zijn niet dezelfde, die in hoofdst.
VIII : 12 (zie Les XXHI, Aant. 7) ge-
noemd worden; de « koninkrijken » zijn
verschillend.
5. «De Zoon des Menschen zal Zijne
engelen uitzenden» — eene van de vele
zijdelingsche bevestigingen van Zijne eigen
goddelijkheid, welke wij zoo dikwijls in
de woorden van Christus vinden. Deze
groote waarheid steunt niet op eenige
formeele verklaringen, maar blijkt voort-
durend uit allerlei gezegden.
6. De Gelijkenis van den Zuurdeesem
wijst niet op do arglistige verbreiding van
het kwaad, zooals door sommigen beweerd