Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
XXXV. HET LEEREN DOOR (ÏELIJKENISSEN.
11.
163
<]rie bij: de Schat in den Akker, de Parel
en het Net.
Welke waren de waarheden, die Jezus
aldus in gelijkenissen leerdeV Welke was
de «verborgenheid», welke in die van den
Zaaier geopenbaard werd? {vorige Les).
Zie nu welke «verborgenheden» er in de
andere zijn.
(a) De « Zaaier » kon Petrus, Johannes,
enz. misschien ontmoedigen — hoe treurig
waren zulke mislukkingen. Maar toch zou
het Koninkrijk zich, in weerwil van al deze
dingen, uitbreiden: heimelijk, maar gedurig
voortgroeiende, zooals het zaad (Mark. IV :
26—39) — het zou worden tot een gi-ooten
boom, evenals hel kleine mosterdzaad
(Matth. XIII : 31, 32) — onopgemerkt,
maar onweerstaanbaar alles doordringen,
zooals de zuurdeesem, wanneer het brood
gemaakt wordt (vers 33) {Zie Aant. 6).
Was dit niet aanmoedigend?
{b) Sommigen, die nooit aan de zalig-
making gedacht hadden, waarvan de Apos-
telen zouden prediken, zouden deze onver-
wachts leeren kennen, evenals een man, die
geld of juweelen vindt, welke onder de
aarde waren verborgen (vers 44); anderen,
die altijd naar kostbare dingen gezocht
hadden, als de kooplieden van schoone
paarlen, zouden eindelijk dezen grootsten
schat vinden (vers 45, 46); en beiden
zouden zij alles opgeven, wat zij hadden,
om dien te verkrijgen. Was dat niet aan-
moedigend?
(b) Verloren zij den moed, toen zij al
het kwaad in de wereld zagen? Was dit
eene treurige « verborgenheid » ? Welnu,
zij zouden nog meer zien. Waar zij het
«goede Zaad zouden zaaien», daar kwam
ook de groote vijand om «onkruid te
zaaien» (vers 24—26, 37—39); waar zij
gingen visschen, om «menschen te vangen»
{zie Les XXVIII), zouden er goede en slechte
visschen in het net komen (vers 47, 48).
Maar God vergat hen niet; het «einde»
zou zekerlijk komen, goeden en slechten
werden dan gescheiden en het Koninkrijk
zou zegepralen en geen onvolmaaktheid
meer in zich hebben (vers 30, 40, 43,49,
50). Was dit ook niet aanmoedigend ?
Beschouwen wij nu eene van deze ge-
lijkenissen een weinig naderbij — Het
Onkruid {Lees vers 24—30).
Wat beteekenen de Tarwe en het On-
kruid? Mannen en vrouwen, jongens en
meisjes. Jezus spreekt van geen derde
soort — allen zijn óf Tarwe óf Onkruid.
Wat zijn wij? Is het moeilijk te zeggen?
Ja, de Tarwe en het Onkruid zagen er
bijna hetzelfde uit; toch waren er drie
groote punten van verschil: —
I. Verschillend in hun Oor-
sprong.
Van waar kwam de tarwe? De land-
bouwer had ze gezaaid — wat verwachtte
hij ? vers 27 {zie Les XVII). Wat verwacht
de Zoon des Menschen van hetgeen Hij
gezaaid heeft? (Luk. XHI : 6; Joh. XV :
8, 16; verg. Jes. V: 9). Behooren eenigen
onder u tot de «tarwe»? Zoo ja, dan is
dit het gevolg van Christus' werk.
Van waar kwam het onkruid? «Een
vijand » — hoe kwaadwillig moest de man
zijn, die aldus den oogst van zijn buurman
kon bederven! {Zie Aant. 2) — en hoe
listig, om het onopgemerkt te doen! Wie
is de vijand van den Zoon des Menschen?
vers 39 (verg. Gen. Hl : 15). Een kwaad-
willige vijand, die den « oogst » van Christus
wenscht te bederven — hij zal hier alles
voor over hebben. Een listige vijand, die
op bedrieglijke wijze kwaad doet. Waar
Christus zaait, daar zal hij ook zaaien.
Welk «zeer goed» zaad in het begin
(Gen. I : 31)! — wie is het komen be-
derven? De Apostelen zaaiden goed zaad
te Jeruzalem na het Pinksterfeest, en