Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
NX XIV.
AANHANGSEL OVER DE GELIJKENISSEN VAN CHRISTUS. 161
van tle allegorie, doordat zij in zichzelve
een geheel iiitnnaakt, terwijl in de allegorie
de zinnebeelden en de zinnebeeldig voor-
gestelde zaken dooreen gemengd worden.
In het O. Testament is Jotham's geschie-
denis van de Boomen, die een Koning
zoeken (Richt. IX : 8—15) eene fabel;
Nathan's geschiedenis van den armen man
en zijn ooilam (2 Sam. XXII: 1—4) eene
gelijkenis. Het beeld van den wijngaard
wordt in allegorischen vorm in Ps. LXXX
gebezigd, en 'm Jes. V in een parabolischen
vorm. De Heer gebruikte dikwijls beide
vormen; b.v. in de welbekende gelijkenis
van het verloren schaap laat Hij het aan
de toehoorders over de geschiedenis toe
te passen; maar Zijne toespraak in Joh.
X — ftik ben de goede Herder», enz. —
is allf.gorisch^ daar het zinnebeeld en dat-
gene, wat zinnebeeldig wordt voorgesteld,
niet genoeg onderscheiden worden.
Gelijkenissen zijn in het Oosten altijd
zeer populair geweest. Zij werden dikwijls
door de Rabbijnen bij het onderwijs ge-
bruikt. Waarschijnlijk lag het ongewone
van Christus' eerste openlijke toespraken
daarif), dat zij niet onder dezen bedekten
vorm uitgesproken werden, maar integen-
deel duidelijk en voor iedereen verstaan-
baar waren. Vandaar de verwondering: der
discipelen, toen Hij begon «vele dingen
door gelijkenissen te leeren». Zijne be-
doeling hiermede moet tweeledig opgevat
worden, gedeeltelijk om de waarheid te
openbaren, gedeeltelijk om haar te ver-
bei'gen; gedeeltelijk om haar in een aan-
trekkelijken en gemakkelijk te onthouden
vorm aan te bieden, en gedeeltelijk om
haar te bedekken voor hen, die slechts
hun eigen vonnis zwaarder zouden maken
door meerdere lasteringen tegen Hem,
die haar uitte. Niets kan dit tweeledige
karakter van de gelijkenissen beter toe-
lichten dan het feit, dat zij zeer goed tot
in de laagste klassen gebruikt kunnen
worden, terwijl hare volledige vertolking
de kundigste mannen in verlegenheid heeft
gebracht. Zelfs die, waarvan de rechtstreek-
sche leering het gemakkelijkst te vatten
is, van den barmhartigen Saniai-itaan, is,
wat aangaat hare diepere beteekenis, een
punt van eindeloos verschil geweest. In
het algemeen kan men aannemen, dat de
eenvoudigste vertolking van eene gelijkenis
— die, welke het meest haar hoofdgedachte
en voornaamste bedoeling in het oog
houdt — de beste is; en toch bewijzen
de uitleggingen, welke de Heer zelf van
den Zaaier en het Onkruid in den Akker
gaf, dat de bijomstandigheden van de ge-
schiedenis ook dikwijls eene eigen betee-
kenis hebben: — want in de genoemde
gelijkenissen vei meldt Hij niet alleen na-
drukkelijk de algemeene leering — de
onwilligheid van de menschen cm het
Woord te ontvangen, en de onvermijdelijke
vermenging van het goede en slechte op
deze aarde, — maar Hij geeft ook eene
bijzondere beteekenis aan de vogelen, de
doornen, de hitte der zon, de maaiers, enz.
De Gelijkenissen kunnen in het ruwe
in drie groepen verdeeld worden: — (1)
De zeven gelijkenissen in Matth. XIII, met
die eene, alleen in Mark. IV te vinden,
welke er bij behoort. Deze hebben het
onderwerp van « het koninkrijk der heme-
len», zijn karakter en voortgang met
elkander gemeen. (2) Die, welke Lukas
in het bijzonder geeft, en die blijkbaar alle
gedurende de laatste reizen naar Jeruzalem
uitgesproken werden; zij schijnen over het
algemeen niet in geregelde toespraken,
maar als antwoorden op vragen uitgespro-
ken te zijn, en onderscheiden zich in vele
gevallen door den hartelijken toon, die aan
het Evangelie van Lukas eigen is {b. v.
de Barmhartige Samaritaan, het groote
Avondmaal, de Verloren Zoon). Tot deze
worden nog, als tot hetzelfde tijdperk be-
hoorend, de Onbarmhartige Dienstknecht
en de Gelijkenis van den Wijngaard, door
Mattheus vermeld, gerekend. (3) De profe-
tische geliikenissen van de laatste week
(Matth. XXI—XXV) met die van de Ponden
in Luk. XIX. Slechts twee gelijkenissen
worden in de drie Evangeliën (Mattheus,
Markus, Lukas) gevonden, nl. de Zaaier
en de Onrechtvaardige Rentmeester. In
Johannes komt geen enkele gelijkenis voor,
ofschoon htj verscheidene allegorische toe-
spraken vermeldt.
11