Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
160 XXXIV. AANHANGSEL OVER DE GELIJKENISSEN VAN CHRISTUS.
2. (iOmdat het u gegeven is de verbor-
genheden van het Koninkrijk der Heme-
len te weten», em. »Eene verborgenheid»
in het N. Test. beteekent niet eene onbe-
grijpelijke, maar eene nog niet geopen-
baarde zaak, zie Rom. XI : 25, XVI: 25;
1 Cor. XIII : 2, XV : 51; Ef. 1:9,111:3,
4, 9; VI : 19.
De waarheden aangaande het «Konink-
rijk der Hemelen», die in de gelijkenissen
van dit hoofdstuk gehuld zijn, waren in
dien tijd verborgenheden., in de ware be-
teekenis des woords. Door middel van
gelijkenissen werd aan hem, die geloof
en nederigheid «had», de openbaring van
deze waarheden «gegeven»; terwijl zij «van
hem, die niet had», nl. geloof en nederig-
heid om hare volle beteekenis te bevatten,
ook het onvolkomen begrip van het
«koninkrijk», dat hij «had», «wegnamen».
Om zijne hardheid van hart moest dus het
volk de kennis dezer «verborgenheden»
ontberen; maar daar, krachtf^ns Gods
zedelijke wet van wedervergelding, deze
hardheid van hart onbekwaam maakt tot
het ontvangen van de waarheid, kan deze
onbekwaamheid in zekeren zin aan God
toegeschreven worden, zooals de aange-
haalde woorden uit Jes. VI in vers 14,
15 doen. Vergelijk de aanhalingen van de-
zelfde profetie in de overeenkomstige ge-
deelten in de andere Evangeliën, en ook
in Joh. XH : 40; Hand. XXVIH : 26, 27 ;
Rom. XI : 8.
3. De zeven gelijkenissen vormen blijk-
baar een samenhangend geheel en zijn
toelichtingen van (1) de hindernissen voor
den voortgang van het koninkrijk, (2) zijn
gemengd karakter gedurende de tegen-
woordige bedeeling, (3) zijn, niettegen-
staande dit, zekere uitwendige ontwikke-
ling en (4) zijne inwendige kracht, (5) en
(6) de verschillende wijzen, waarop de
menschen zich zouden verzekeren van hun
deelgenootschap aan dat koninkrijk, (7) de
eindelijke scheiding van het goede en het
booze, dat er een tijdlang vermengd in
aanwezig was geweest. De eerste vier
werden van het schip tot het volk, dat op
den oever stond, uitgesproken; de laatste
drie tot de discipelen alleen, in het huis.
4. Sommigen meenen, dat Jezus werke-
lijk op een «Zaaier» wees, die «uitging
om te zaaien». Dat de vier soorten grond
te gelijk waargenomen konden worden,
blijkt uit de beschrijvingen van Stanley
en Dr. Thomson, die beiden van soort-
gelijke gevallen spreken. De «steenachtige
aarde» is niet aarde, met losse steenen
vermengd, maar een dunne laag aarde
bovenop rotsgrond, welke het zaad geen
gelegenheid zou geven om naar beneden
wortel te schieten. De doornen waren
waarschijnlijk de nabk, welke een zeer
dicht struikgewas vormt. Zie over het
voortbrengen van vrucht honderdvoud:
Gen. XXVI: 12.
5. In de Schrift vinden wij verscheidene
voorbeelden van de vier geaardheden.
Pharao en Festus kunnen onder de hoor-
ders «bij den weg» gerekend worden.
Koning Saul, Herodes Antipas, de Galaten
(Gal. V : 7), sommigen van de discipelen
in Galilea (Joh. VI : 66) bleken te zijn
als de «steenachtige plaatsen». Bileam,
Judas en Ananias als de grond «met
doornen». De jonge overste, Simon de
toovenaar en Demas, vereenigen eenige
kenteekenen van de twee laatste soorten;
Felix vereenigt die van de eerste en de
tweede in zich. Petrus liep gevaar van tot
de -tweede soort te behooren; Lot en Martha
van tot de derde soort te behooren. Van
de goede aarde zijn Nathanaël en Lydia
treffende voorbeelden.
AANHANGSEL. — DE GELIJKENISSEN VAN CHRISTUS.
Het woord «Gelijkenis» wordt in het
N. Testament gebruikt voor verschillende
soorten van onderwijs in beelden, b.v.
kernachtige, spreekwoordelijke gezegden
(zooals in Matth. XV : 14, 15; Luk. IV :
23), korte, ter loops te pas gebrachte
beelden (zooals in Matth. XXIV : 32), en
O. Testamentische typen (zooals in Hebr.
IX : 9, waar het woord «afbeelding»
eigenlijk «gelijkenis» moest zijn).
Maar in hare gewone beteekenis, toe-
gepast op die verhalen, welke Jezus
gebruikte om geestelijke waarheden te
verkondigen, heeft de «gelijkenis» een
zeer bepaald, eigenaardig karakter en
kan onderscheiden worden — (a) van
de fabel, door hare meer natuurlijke
en mogelijke gebeurtenissen, en hare
hoogere geestelijke bedoeling; (6) van
de mythe, door hare waarheid; (c) van
het spreekwoord, door haar meer uitge-
gebreiden, verbalenden vorm; en (d)