Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
158
XXXIV. HET LEEREN DOOR GELIJKENISSEN. —
I.
terwijl de menigte er over redeneert.
2. Waarom Jezxis zoo leerde, vers
10—17.
Omdat Hij nu niet allen op gelijke wijze
kon behandelen — een onderscheid moest
maken tusschen hen, die «met Hem» en
die « tegen Hem » {zie vorige Les) waren.
Hij heeft een langen tijd in duidelijke
bewoordingen gepredikt — met welken
uitslag? — Sommigen laat het onverschil-
lig, bij anderen wekt het afkeer, weder
anderen beginnen te lasteren. Nu heeft
Hij diepere en moeilijker zaken te ver-
kondigen — deze moeten alleen aan die
« met Hem zijn » geleerd worden, niet aan
de onverschilligen of de lasteraars — het
zou hun geen goed doen — waarom niet?
vers 15 — wat baat het zonlicht den
blinde, of muziek den doove? Jezus wil
«geen parelen werpen voor de zwijilen.»
Dus gebruikt Jezus gelijkenissen.Waarom
gelijkenissen? Eene gelijkenis doet twee
dingen: sommigen doet zij minder, anderen
meer van de waarheid inzien. ( Voorbeeld. —
Evenals een lampekap het licht helderder
maakt voor hen, die dichtbij zijn, maar
verduistert voor degenen, die verder af
zijn; of als de wolk- en vuurkolom —
donker voor de Egyptenaren, licht voor de
Israelieten). Een oplettend en belangstel-
lend toehoorder kan wonderbare dingen uit
eene gelijkenis leeren; maar de onver-
schilligen zullen er niets in zien. {Voor-
beeld. — Indien men een sterrenkijker
leert gebruiken, kan men meer van de
sterren zien; geeft men zich geene moeite,
dan ziet men niets). Maar waarom sprak
Jezus in gelijkenissen tot de scharen, in-
dien de discipelen ze alleen zouden begrij-
pen? Sommigen uit de menigte waren
misschien nederig en wilden gaarne leeren
— en zouden dan, juist omdat zij niet
begrepen, tot Jezus komen om meer te
weten — en ook discipelen worden.
II. De nieuwe dingen, die ge-
' leerd worden.
«Verborgenheden van het Koninkrijk
der Hemelen», vers 11 — welke waren
deze? Nog onbekende dingen — geheimen
{Zie Aant. 2). Het waren zaken, waarvan
de discipelen de uitlegging niet konden
vinden, en Jezus kon ze hun slechts lang-
zamerhand leeren. {Voorbeeld. — Een
man, die plotseling xdt een donkere ge-
vangenis in het heldere zonlicht komt,
wordt verblind); zie Mark. IV : 33; Joh.
XVI : 12. Aanstaanden Zondag zullen wij
eenige van de «verborgenheden» zien,
welke in de gelijkenissen werden geleerd.
Beschouwen wij er heden slechts ééne, nl.—
aHoe kwam het, dat zoovelen niet gaven
om de aangename waarheden, die God
deed verkondigen — dat Jezus, met al
Zijne machtige woorden en werken, zoo
weinig vrucht van Zijne prediking zag?
Dit begrepen de discipelen ook niet.
Dit maakte Maria twijfelmoedig (vorige
Les). Dit weerhield velen zich bij Hem te
voegen (verg. Joh. VII : 48). En schijnt
ditzelfde ons ook nu niet vreemd toe?
Denk aan al de kerken, predikingen,
Bijbels, enz. — Waarom zoo weinig ware
Christenen? Wij, onderwijzers, gevoelen
het, hoe het komt, dat deze klasse zoo
weinig om Jezus* liefde geeft.
Zie, hoe Hij dit in Zijne allereerste gelij-
kenis verklaarde {Lees vers 3—8). Wanneer
een zaaier zaait, komen dan al de zaad-
jes op? vers 4. Zullen die, welke opkomen,
alle wortels maken en groeien ? vers 5, 6.
En als die opgroeien, zullen zij dan ook
altijd vrucht voortbrengen? vers 7. Aan
wie de schuld ? Aan den zaaier ? Aan het
zaad? Neen, aan de aarde.
Een onderwijzer is als een zaaier {zie
Les XVII) — hij strooit zijn onderwijs
uit als zaad, om een oogst van zielen,
«vruchten der gerechtigheid» in te oogsten