Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
156
XXXIV. HET LEEREN DOOR GELIJKENISSEN. — I.
(b) Ook doelt Jezus hier niet op gods-
lasterlijke woorden of gedachten. Het is de
gemoedstoestand, waarvan zulke woorden
of gedachten de vrucht zijn (verg. Matth.
XV: 19)—een gemoedstoestand, waarin het
genadewerk van den Geest met bewustheid
en met beslistheid verworpen wordt, —
welke zich uit in lasteringen tegen deze
genade,— en welke noodzakelijk hopeloos
is, daar er zonder genade geen berouw
mogelijk is. Er wordt niet uitgesproken,
dat de Farizeën in dezen toestand waren,
maar hunne woorden toonden aan, dat
zij gevaar liepen er in te vervallen.
(c) Om zich voor vertwijfeling te bewa-
ren, doe men wèl zich te herinneren, dat
de angst of misschien deze zonde bedre-
ven is, bewijst, dat zij niet bedreven is,
omdat zulk een angst niet samengaat met
den bovenvermelden gemoedstoestand.
7. Het nu volgende gedeelte van de
toespraak, door Mattheus en Lukas gege-
ven, wordt door Markus weggelaten, en
er zijn dus geene Aanteekeningen bij noo-
dig. Maar merk op, dat hetgeen in de
voorgaande Aanteekening gezegd wordt
van een gemoedstoestand, waarvan gods-
lastering de vrucht is, door de woorden
des Heeren in Matth. XH : 33—37 wordt
bevestigd; en dat Zijne weigering vaneen
«teeken van den hemel» (vers 38—42)
een natuurlijk gevolg is van zulk eene
verkeerde voorstelling van de «teekenen»,
die Hij gegeven had.
8. Het doel, dat Jezus' moeder en broeders
hadden met Hem te roepen, blijkt alleen
uit het verhaal van Markus. Het Grieksche
woord, door «buiten Zijne zinnen» ver-
taald, beteekent niet zoozeer volstrekte
krankzinnigheid, als wel dien toestand,
waarop wij doelen, wanneer er gezegd
wordt: «Wel, de man is zeker gek». Het-
zelfde woord komt in 2 Cor. V : 13 voor.
In Joh. X : 20 en Hand. XXVI : 24 is
het een ander woord; dat beteekent wer-
kelijk «krankzinnig».
Les XXXIV. — Het leeren door Gelykenissen. — I.
(kZiet dan, hoe gij hoort.»
Te lezen — Matth. XHI : 1—23 {verg. Mark. IV : 1—34; Luk. VHI : 1—18);
Te leeren — Jak. I : 21, 22; Ps. CXIX : 18. (Ps. 96 : 1, 9).
Voor den Onderwijzer.
In deze serie is geen plaats voor afzonderlijke lessen over de Gelijkenissen
van den Heer, en alleen die, welke van belang zijn met het oog op de ge-
schiedenis, worden hier behandeld. In deze en de volgende Les wordt in het
bijzonder stilgestaan bij de Gelijkenissen van den Zaaier en van het Onkruid
in den Akker, om de practische lessen, die men er uit kan trekken ; toch is
het onderwerp van de twee Lessen het ^leeren door Gelijkenissenn en niet
de Gelijkenissen elk afzonderlijk. Verscheidene voorbeelden worden in deze
Schels aangegeven, welke van dienst kunnen zijn bij eene verklaring, waarom
Jezus deze wijze van in het openbaar te leeren aannam, en het is duidelijk,
dat het practische slot van de Les — «Ziet dan, hoe gij hoort» — even
natuurlijk uit dit gedeelte voort zal vloeien, als uit de beschouwing van de
vier verschillende soorten van grond.
In het toepassen van de Gelijkenis van den Zaaier streve de onderwijzer er
naar om in de vel schillende soorten van grond ook de verschillende gemoeds-
toestanden te beschrijven, waarin zijne leerlingen zich bevinden of kans hebben