Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
155 XXXIII. TE(iENSTANI) VAN VIJANDEN EN VAN VRIENDEN.

Hij of Zijn volk aangevallen wordt? Zijn
dezulken «tegen Hem»? Wij zouden het
wel willen ontkennen; maar wat zegt
(S'ï« tekst om te leeren).
Zijn ivij Zijne getrouwe discipelen'?
Zoo ja, wat kunnen wij dan verwachten?
tekst om te leeren) — wij zullen
gehaat, beschimpt, gescholden worden,
evenals Hij. Het is niet aangenaam — moet
toch blijmoedig gedragen worden, zie Matth.
V : il, 12; Hand.V:41;Hebr.X: 32—34;
1 Petr. IV : 12—16; — en welk eene be-
looning! Christus' «broeders en zusters»
te zijn — en wat brengt dit met zich
mede? Rom. VIH : 17.
Vóór en tegen. — Zie wat het uit-
einde van beiden zijn zal. Matth. X: 32, 33.
Aanteekeningen.
1. De teksten in Matth. XH en Mark.
Hl, waarnaar in deze Les verwezen is,
komen blijkbaar overeen: maar sommigen
meenen, dat die in Luk. XI op eene andere
gelegenheid betrekking hebben, omdat zij in
zulk een geheel ander verband voorkomen.
Met die van Mattheus vergeleken, klinken
zij echter niet meer verschillend dan tek-
sten, die zonder eenigen twijfel gelijklui-
dend zijn, maar het is niet noodig met
sommige schrijvers aan te nemen, dat al de
toespraken m Luk. XI en XH op éénen
dag gehouden werden. De toon is die van
een later tijdperk van Christus* prediking ;
en de volgorde, waarin Lukas zijne feiten
schikt^ is te onregelmatig, om in dit opzicht
eenige moeilijkheid te doen ontstaan {zie
Aanhangsel over de Chronologie, blz. 90).
In Matth. IX : 34 komt nog een geval
voor, dat de wonderen des Heeren aan
Satanische macht 'worden toegeschreven;
deze gebeurtenis had blijkbaar vroeger
plaats. Zijne eigen toespeling op de be-
schuldiging in Matth. X : 55 valt waar-
schijnlijk een weinig later {Zie vorige Les.
Aant. 1.)
2. «Zoon van David», Matth. XII: 23—
een gewone benaming van den Messias;
zie Matth. XXI : 9, XXH : 42; Joh.
VII : 42.
3. u.Beëlzebub)) is «heer der vliegen»,
de naatn van eene der oude Philistijnsche
godheden (2 Kon. I : 2). In de beste hand-
schriften leest men echter «Beëlzebub),
hetgeen door sommigen wordt vertaald
«drekgod», door anderen «heer der
woning», d. i. of de hel. óf de ziel des
menschen. Het laatste schijnt het waai--
schijnlijkst, daar Christus in Matth. X ;
25, naar hem verwijzende, bewoordingen
gebruikt, «heer des huizes», welke Hij op
zichzelf toepast. Waarschijnlijk was het
een spotnaam voor den Satan, onder de
Joden van dien tijd gebruikelijk.
4. «Door wien werpen ze dan uwe
zonen uit"!» (Matth. en Luk.) De meeste
Schriftverklaarders leiden uit deze woorden
af, dat de Joodsche «duivelbezweerders»
(Hand. XIX : 13) werkelijk duivelen uit-
wierpen. Josephus(^ïiï. VHI : 2, 5) spreekt
er van als eene gewone zaak; en Justinus
en Irenaeus vermelden het ook. Indien
dit zoo is, dan moet er een groot verschil
zijn geweest tusschen zulke duivelbezwe-
ringen en Jezus^ wonderen; zie .Matth.
IX : 33, en verg. Luk XI : 20 met Exod.
VIII : 19. Maar de bewijsgrond in den
tekst zou niet minder krachtig zijn, indien
de Farizeën slechts voorgaven de macht
te hebben.
5. « Maar als één komt, die sterker is»
(Lukas). Deze uitdrukking verwijst blijk-
baar naar «hij. die sterker is», van wien
de Dooper had gesproken, en naar de
plaatsen van Jesaja, in de Schets aange-
haald. Het eerste binden van den sterken
man heeft misschien betrekking op den
persoonlijken strijd van don Heer met den
Satan, toen Hij den «kop der slang ver-
morzelde», en «de gevangenis gevangen-
genomen» heeft. Vergelijk de aangehaalde
teksten.
6. «liet zondigen tegen den Heiligen
Geest)), enz. In de Schets is eene poging
gedaan om op eenvoudige wijze de betee-
kenis van deze ernstige en moeilijke woorden
te «even; maar men merke ook op, dat
(a) De verzwaring der zonde «ligt niet
in den rang van den persoon, tegen wien zij
bedreven is, maar in de duidelykheid der
openbaring, in weerwil van welke zij be-
dreven is» {Stier). Het is niet erger
tegen den Geest te zondigen, dan tegen
den Vader of den Zoon.