Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
154
XXXIII. TE(iENSTANI) VAN VIJANDEN EN VAN VRIENDEN.
twist?» De Satan was zoo dwaas niet
om zijn eigen werk te verijdelen.
(b) Bij doet hen zelf oordeelen, wie Hij
waarlijk zijn moety vers 27 (verg. Lu kas XI:
20—22) {Zie Aant.4.). «De Satan is sterk; '
en toch ziet gij hier zijn goederen (wat '
hij aan God had ontroofd, het gemoed, i
het hart der menschen, enz.) van hem j
genomen; wie kan dat doen? — het |
moet iemand zijn, die sterker is.» Wie
zou dat zijn? — wat hadden Jesaja (XL : 10,
XLIX : 24, 25, LUI : 12) en Johannes
de Dooper (Luk. III : 16 — Mj, die
sterker is») van den Messias voorspeld?
Wie moest Jezus dus zijn? (verg. Col.
II : 15; Hebr. H : 14; 1 Joh. IH: 8). Dan
was inderdaad het «koninkrijk gekomen.»
(c) Hij waarschuwt hen tegen het ge-
vaar van zulk eene godslastering, vers
28—30 {Zie Aant. 6). Hoe waren zij in
gevaar? omdat het zulk eene zonde is
Jezus te beschimpen ? ja; maar zelfs dan
konden zij terugkeeren op hunnen weg,
berouw hebben en vergeving ontvangen
(zooals Saulus van Tarsen, 1 Tim. 1:13).
Maar konden zij dit uit zichzelven doen?
Alleen indien de Heilige Geest in hunne i
harten werkte (Rom. VHI : 2, 14; 1 Cor. |
XII : 3). Maar hoe kon Hij dit, indien zij
Hem altijd weerstonden (Hand. VH:51)? !
En waaruit bleek, dat zij dit deden? — j
Zij zondigden moedwillig., en zeiden van
Jezus wat zij wisten, dat niet waar kon i
zijn. Welk gevaar dan? hunne zonde zou
misschien altijd op hen blijven! Bid met
David, «reinig mij van de verborgen af-
dwalingen» (Ps. XIX : 14).
2. Den tegenstand van vrienden. Wie
gingen naar het huis toe, terwijl Jezus
nog sprak? vers 31. Waartoe? vers 21
(herhaal). Geene mogelijkheid om binnen
te komen vanwege de schare — zij zen-
den eene boodschap. Zie nu het antwoord
van Jezus, vers 33—35.
Gaan wij de beteekenis na van deze
woorden. Hij had eene aardsche moeder
en aardsche bloedverwanten; maar Hij was
ook de Zoon van God — allen, die God
toebehoorden, waren met Hem verwant —
nader zelfs dan Zijne moeder dit van nature
was. Wie behoorden God toe? vers35 —
«wie den wil van God doet»; en wie zijn
zij? Zie wat Hij kort te voren (2^^« tekst
om te leeren) gezegd had — die ^met
Hem» waren. Alle anderen waren dtegen
Hem». Aan welke zijde waren Maria en
de haren toen ? deden zij dus den wil van
God, handelden zij als Gods kinderen, als
de geestelijke bloedverwanten van Jezus?
Maar wie waren dan vóór Hem? vers
34. Zijne discipelen schaamden zich Zijner
niet, zij waren aan Zijne zijde.
Was ■ dit eene bestraffing voor Maria?
Jezus was te liefhebbend, had te veel kin-
derlijken eerbied om haar in 't openbaar
te bestraffen; maar zou zij toch niet ge-
voelen, hoezeer zij gedwaald had — dat,
om tot Zijne ware bloedverwanten te be-
hooren, zij meer vertrouwen in Hem moest
stellen — met meer beslistheid Zijne
zijde kiezen?
Aan welke zijde staan wij ? vóór
Christus of tegen Hem^
Zijn wij Zijne openlijke vijanden? —heb-
ben wij een afkeer van Zijn huis. Zijn boek.
Zijn dag, Zijn volk, Zijn geboden? Indien
een goddelooze onder uwe makkers plot-
seling veranderde, een waar Christen werd
de Satan werd «uitgeworpen» — zou het
u genoegen doen? of zou het u ergeren;
zoudt ge hem beschimpen, bespotten, enz.?
Dit zou zijn als de Schriftgeleerden, die
zich ergerden aan Jezus' wonderen, en er
kwaad van spraken.
Zijn wij Zijne vrienden, maar met een
half hart? — achten wij Hem, wenschen
wij Hem toe te behooren, maar om be-
vreesd te worden en over te loopen, zoodra