Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
153 XXXIII. TE(iENSTANI) VAN VIJANDEN EN VAN VRIENDEN.

zijn — gaat Hij te ver — kan het goed
zijn, om de oversten te ergeren en tolle-
naars te verkiezen, enz.?» Wat zoude zij
gevoelen, indien zij geweten had van de
samenzwering {vorige Les). En eenigen
Zijner bloedverwanten gelooven in het
geheel niet in Hem, Joh. VH : 5 — zij
zullen haar onrust nog vermeerderd heb-
ben. «Een geluk is het, dat Hij zich nu
wijselijk terug heeft getrokken {vorige Les)
— misschien zal Hij nu anders gaan
handelen.»
Op zekeren morgen komt de tijding
van Zijne openlijke terugkomst te Kaper-
naüm—twaalf Zijner volgelingen bekleeden
een nieuw ambt. «Nu zal Hij de Farizeën
trotseeren.» En nog een ander gevaar —
er zijn zulke groote scharen van men-
schen, dat Hij na een nacht op den berg
{vorige Les) geen voedsel kon krijgen,
vers 20 — «zal Zijne kracht Hem niet
begeven?» Zie hoe Mai'ia en de anderen
zich op straat voortspoeden, vers 21 —
«zeker is Hij uitzinnig — wij moeten Hem
mede zien te troonen en zorg voor Hem
dragen.» Hoe konden zij zoo iets van
Hem denken?
2. Van vijanden. Kom nu in het huis
(misschien dat van Petrus), waar Jezus is.
Het is vol menschen, evenals toen Hij de
vorige maal van eene reis terug was
gekeerd (Mark. II : 1,2). Groote opschud-
ding — Hij heeft drie wonderen verricht
aan één man! — Zie Matth. XII: 22, 23 —
de duivel is van hem uitgegaan, de blinde
oogen zijn ziende geworden, het spraak-
vermogen is weder teruggekeerd. «Waar-
lijk», (zoo wordt er geroepen) «Hij is de
Messias»! Wat kunnen de Farizeën nu
doen? (verg. Lukas XIX : 47, 48). De
listige menschen, die uit Jeruzalem zijn
gezonden {zie Les XXXI, 2), beden-
ken een plan. Zie hoe zij zich onder het
volk verspreiden. «Natuurlijk», zoo spreken
zij, «kan Hij duivelen uitwerpen», — «Hij
is zelf van een duivel, den overste Beëlze-
bub, bezeten — het is niet vreemd, indien
zelfs duivelen hun eigen voi'st gehoorza-
men» {Zie Aant. 3). Hoe kan men dit
van Jezus, den Heilige, dien de duivelen
haatten en vreesden (Mark. I : 24), zeg-
gen? Het is erger dan hetgeen Zijne bloed-
verwanten dachten ! — het was vreemd,
dat iemand Hem als uitzinnig kon be-
schouwen — maar dit, dat Hij een bond-
genoot was van den Satan, door den vijand
der menschen gebruikt om hen te bedrie-
gen I Nog erger dan het ergste, dat te
voren van Hem s^ezegd was (Matth. XI: 19).
Het was alsof de uitgeworpen duivel in
hen gevaren was — hun oogen had ver-
blind — hun tongen niet sprakeloos,
maar godslasterend gemaakt had. Toch
waren dezen de voorgangers, de herders,
die zorg hadden moeten dragen voor de
«verloren schapen» {vorige Les).
II. Hoe Hij den tegenstand
beantwoordde.
1. Den tegenstand der vijanden.
Had Hij geen reden om toornig te zijn
en hen openlijk aan te klagen? Maar Hij
moe^ het gedane kwaad goed maken, om
het volk te bevredigen — Hij zal er met
kalmte over redeneeren. Zie op welke
wijze, vers 23—30.
(a) Hij toont aan hoe onredelijk hunne
woorden zijn, vers 22—36. «Indien het
waar was wat zij zeiden, indien de Satan
in Hern was, zou het dan waarschijrdijk
zijn, dat Hij menschen van den Satan
verloste -- duivelen uitwierp, ziekten genas,
«de menschen vrijmaakte van zonde, en
hun eeuwige gelukzaligheid schonk? Dan
zou de Satan tegen zichzelf in strijd zijn,
en wat dan ? Kan een land, dat door burger^
oorlogen geteisterd wordt, een gemeen-
schappelijken vijand weerstand bieden? Zal
het een gezin wélgaan, «dat altijd door