Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
151 XXXIII. TE(iENSTANI) VAN VIJANDEN EN VAN VRIENDEN.

en werd waarschijnlijk zoo vastgesteld orn
de typische overeenkomst aan te duiden
van Israel met de Christelijke Kerk. Zie
Matth. XIX : 28; Openb. XXI : 14.
Petrus noemt, in zijne toespraak tot de
wachtende gemeente na de Hemelvaart
(Hand. 1 : 21, 22), de vereischten op, welke
iemand bevoegd maken tot Apostel; hij
moest nl. voortdurend met Jezus samen
geweest zijn, bekend wezen met Zijne be-
diening van den doop van Johannes af,
en een getuige van Zijne opstanding. Op
het laatste vereischte maakt Paulus aan-
spraak, wanneer hij (1 Cor. IX : 1) zijn
apostolisch gezag verdedigt. Barnabas wordt
ook Apostel genoemd in Hand. XIV :14;
en dezelfde titel wordt (in het Grieksch)
aan sommigen van Paulus' metgezellen
(2 Cor. VIII : 23) en aan Epaphroditus
(Phil. 11:25) gegeven. Christus zelf wordt
«de Apostel» genoemd (Hebr. III : 1).
3. De aanhaling in Matth. XII van de
Messiaansche profetie in Jes. XLII : 1—4
is zeer gepast. Christus zoude zich als
Koning en Rechter openbaren, maar alleen
na een tijdperk van strijd, welke uit zou
loopen op Zijn «voortbrengen» (een krach-
tig woord, dat strijd doet veronderstellen)
van het «oordeel» (de zoo lang onbesliste
zaak) tot overwinning; en gedurende dit
tijdperk zou Hij niet als de vreeselijke
Rechter optreden, maar nederig en zacht,
niet «twistende», enz. Wanneer dus Zijn
vijanden tegen Hem samenspannen, ver-
plettert Hij ze met, zooals Hij kon doen,
maar gaat stil weg en houdt zich bezig
met het arme volk, dat Zijne hulp be-
hoeft.
4. De groote toespraak tot de Twaalven,
in Matth. X gegeven, kan aldus in 't kort
ontleed worden:
I. Bevelen voor deze eerste zending,
vers 5—15.
Waarheen, vers 5, 6.
Voor welk doel, vers 7, 8.
De uitrusting, vers 9, 10.
De wijze van voorttrekken, vers
11-14.
De diepe ernst van deze zending,
vers 15.
II. Voorspellingen aangaande hun groo-
teren arbeid, nadat Jezus van hen wegge-
nomen zou zijn, vers 16—23.
Niet alleen verwerping (zooals in vers
14), maar vervolging, vers 16—18.
Toch een belofte van hulp, vers 19,20.
De strijd moet tot het einde duren,
vers 21—23.
III. Een algemeen overzicht van den
strijd, zooals alle volgelingen van Christus
dien zullen ondervinden, vers 24 - 42.
Zij moeten lijden, zooals hun Meester
geleden heefr, vers 24—25.
Toch geene oorzaak voor vrees, God
zorgt voor hen, vers 26—31.
De belooning en wat daar tegenover
staat, vers 32, 33.
Deze belooning alleen te verkrijgen door
de besliste voorkeur aan Christus te geven
boven bloedverwanten of het leven, vers
34—39.
Maar indien de zijde van Christus ge-
kozen is, dan ook eene belooning voor de
minste diensten, vers 40—42.
Elk der afdeelingen sluit met een plechtig
«voorwaar)^; zie vers 15, 23, 42.
Les XXXllL — Tegenstand van vijanden en van vrienden.
«iiy heeft den duivel, en is uitzinnig».
Te lezen — Mark. III : 20-35; (verg. Matth. XII : 22—50; Luk. XI : 14—26).
Te leeren — Matth. X : 24, 25, XII : 30. (Ps. 126 : 3. Gez. 120 : 3).
Voor den Onderwijzer.
Deze Les levert weder het bewijs, hoe goed het is om de reden van den
Heer te behandelen in verband met de gebeurtenissen, die er aanleiding toe
gaven, en hoe sommige bijzonder moeilijke gedeelten betrekkelijk gemakkelijk
worden, wanneer men ze aldus onderwijst.