Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
XXXII. DE TWAALF APOSTELEN.
170
verstrooid zijn — Hij heeft ook «ontfer-
ming» voor hen — voor allen.
n. De herders, die voor de
schapen aangesteld worden.
Nu gaat Jezus naar de bergen, ver van
) de menigte, alleen met Zijne volgelingen,
i Zijn allen »discipelen» — d. i. leerlingen
I (onder discipline), eenigen zal Hij tot
I meer dan dat maken — tot «apostelen»,
: mannen, die uitgezondeyi zyn, zendelingen.
' Het is eene plechtige zaak, die Hij nu
y gaat doen — hoe zal Hij zich daartoe
i voorbereiden? Luk. VI : 12, 13 — denk
I aan dien langen nacht van gebed! (Hoe
H beginnen wij gewichtige dingen? Hebben
7 wij minder behoefte aan gebed dan Hij ?)
' Daarna wachten des morgens allen om
Hem heen op Zijne keuze.
1. De mannen, die gekozen worden,
1 vers 16—19 (verg. Matth. X:2—4; Luk.
i VI : 14—16). Zeven hunner, hebben wij
gezien, werden reeds vroeger in het bij-
zonder geroepen — de vier visschers
(Hoofdst. 1 : 16—20) (Zie Les XX), de
Tollenaar (Matth. IX : 9) (Zie Les XXVI)
I Philippus en zijn vriend (Joh. I : 43—51).
! Nu nog vijf daarbij. Zie welk soort men-
s sehen gekozen werden, om zorg te dragen
4 voor de «vermoeide en verstrooide scha-
I pen»; geen diepzinnige en geleerde Schrift-
j geleerden, maar visschers, een Tollenaar,
} enz. — de voortvarende Petrus, de zwaar-
I moedige Thomas, de vurige Simon, de
i bijna even vurige Jakobus en Johaimes
) (zie vers 17; verg. Luk. IX : 54). Maar
allen hebben zij één ding gemeen — zij
gelooven in Hem — zijn bereid otn Hem
te gehoorzamen. Zij zijn best geschikt om
zorg te dragen voor de schapen, die Hem
gehoorzamen, aan wien de schapen toe-
behooren.
2. Het werk, dat hun opgedragen wordt,
vers 14, 15 —{a) te gaan prediken. Wat
moeten zij zeggen? Zie .Matth. X : 7 —
hetzelfde, wat Jezus had verkondigd, (h)
wonderen te doen — gelijk aan die, welke
Jezus gedaan had. Tot wie moesten zij predi-
ken? wie moesten zij genezen ? Dezelfden,
met wie Jezus medelijden had — »de vet'-
loren schapen van het huis van Israël»
(Matth. X : 6) — dezen het eerst —
daarna de «andere schapen» ook (Joh.
X : 16; zie Matth. X : 18).
3. Hoe zij voor het werk opgeleid moes-
ten worden. Zie weder vers 14—«opdat
zij met Hem zouden zijn». Petrus en
eenige anderen zijn reeds altijd met Hem
I — van nu af aan alle Twaalf. Op die
wijze zouden zij nog steeds discipelen
(leerlingen) zijn. Wat leerden zij ? (a) Hoe
zij moesten prediken. Zij zouden Jezus in
het openbaar hooren, en Hij zoude hen
in het bijzonder onderwijzen, (b) Hoe zij
wonderen moesten verrichten: wat konden
zij daaromtrent leeren? Hij gaf hun de
macht, maar {Voorbeeld, — Een geweer
is van geen nut, indien men het niet
weet te hanteeren) zij konden haar niet
gebruiken zonder geloof (Matth. XVH :
16—20), d. i., zij moesten overtuigd zijn,
dat, wanneer Hij hun gebood te genezen.
Hij bedoelde, dat zij ook in staat waren
om te g*»nezen — en hoe zouden zij dit
; geloof krijgen anders dan door met Hem te
: zijn. Hem te kennen, hoe langer hoe meer
; bewijzen van Zijne liefde en macht te zien?
Maar terwijl zij nog discipelen zijn,
worden zij nu ook apostelen. Zij zouden
I twee aan twee op korte dagreizen uit-
i gaan om te prediken (Mark. VI : 7) —
1 en zij zouden öüü in praktijk brengen wat
I zij geleerd hadden. (Voorbeeld — Een
j femd, dat leert schrijven, heeft twee dingen
' te doen — naar het voorbeeld te kijken,
j en zelf ten uitvoer te brengen, wat het
heeft gezien). Zoodoende worden zij voor
den uitgebreiden arbeid, die hun wacht,
I voorbereid.