Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
148
XXXII. DE TWAALF APOSTELEN. 148
godvruchtig gemoed hebben. Een kind kan de taak van aherder», «apostel»
vervullen tegenover een jonger broertje of zusje. Maar de waarschuwing worde
er altijd bijgevoegd, dat de ^aposteU eerst adiscipeh moet zijn.
Schets van de Les.
Jezus verkeert nu in gevaar. Zijne vij-
anden te Jeruzalem hebben Schriftgeleer-
den naar Galilea afgezonden om de Farizeën
tegen Hem op te stoken (zie de vorige
LeSy Aant. 2). Wat konden zij van Hem
zeggen? Zij zouden spreken van Zijne Sab-
batschennis en menschen aanstellen om
Zijn gedrag waar te nemen — wij zagen
dit verleden Zondag. De voorname inwo-
ners van Kapernaüm waren Hem reeds
dadelijk niet genegen, maar nu zijn zij
tegen Hem opgezet — zij willen het niet
langer verdragen. — Hoe zullen zij Hem
uit den weg ruimen ? Herodes is vorst over
Galilea; zij moeten zijne «hovelingen» om
hulp vragen; zie de strenge Farizeën en
genotzieke hovelingen te zamen plannen
beramen tegen Jezus (vers 6)!
Wat zal Hij doen? Zijne «ure» om te
lijden is nog niet gekomen. Hij zal zich
een tijdlang verwijderen — buiten de
stad, dan naar het Meer (vers 7) — daar
kan Hij altijd een schip krijgen om over
te steken; dan naar de bergen (vers 13)—
daar zijn genoeg schuilplaatsen.
Terwijl Hij aldus in afzondering leefde,
deed Jezus iets zeer belangrijks — wij
zullen er heden over spreken.
Hebt gij ooit eene kudde schapen zonder
herder gezien — zij waren verstrooid,
vermoeid, bevreesd, zagen nu dezen, dan
den anderen kant op, durfden niet voort-
gaan? Dit zag Jezus — wij zullen zien
wat Hij deed {Zie Aant. 1).
I. De schapen zonder herder.
Kan Hij de eenzaamheid vinden, wan-
neer Hij de stad verlaat? vers 7, 8 —
grooter scharen dan ooit komen van ver-
wijderde plaatsen; zij wenschen Zijnen
dood niet — van Hem, die hen troost.
onderwijst en geneest. Zulke groote scharen,
dat Hij aan hen moest ontkomen door in
hel schip te gaan, vers 9. Maar zij zijn
niet tevergeefs gekomen — zie wat Hij
doet, vers 10, 11. En waarom geneest Hij
hen? Om bij het volk in aanzien te komen?
Om hen tegen de Farizeën op te zetten?
vers 12. — Hij wenscht zooveel goed te
doen als Hij kan, zoo ongemerkt als Hem
mogelijk is. Juist hetgeen Jesaja van den
Messias gezegd had (verg. Jes. XLII:1—4
met Matth. XH : 15-21. Zie Aant. 3).
Maar zie nu wat Jezus gevoelde en dacht,
toen Hij deze scharen aanzag. Matth. IX :
36 {Zie Aant. 1). Hij dacht niet aan het-
geen de Farizeën Hem wilden doen, maar
aan hetgeen zij niet gedaan hadden voor
al deze menschen. Zij hadden als herders
voor hen moeten zijn, om hen op den
rechten weg te leiden, hen te voeden met
goede lessen, hen liefderijk te behandelen.
Hadden zij dit gedaan? Zoo ja, waarom
was het dan zulk een ongehoorde en
vreemde zaak, toen Jezus de blijde bood-
schap aan de armen predikte (Matth. XI: 5)?
De Schriftgeleerden worden als de her-
ders, door Ezechiël (XXXIV : 1—10) aan-
geklaagd; dus is het volk uitgeput (door
gebrek aan voedsel voor de zielen) en
verstrooid (er is geen zorg voor gedragen).
Jezus ziet al deze dingen; wat gevoelt
Hij? Was Hij te voren nooit door ont-
ferming bewogen geweest? Wat had den
«Goeden Herder» (Joh. X : 11) uit den
hemel doen nederdalen, indien het niet
was het «zoeken en vinden van de ver-
loren schapen»? Zie Matth. XVHI: 11-13.
En die, welke Hij nu ziet, zijn er slechts
een klein gedeelte van — er zijn «andere
schapen» (Joh. X : 16), die nog verder