Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
XXXII. DE TWAALF APOSTELEN.
147
Ahjathar noemde, hij in 1 Sam. XXI den
naam van Achimelech, die de vader van
Abjathar was, draagt. Vele verklaringen
zijn hiervoor beproefd; maar de twee
namen worden in het O. T. op zulk eene
vreemde wijze verwisseld (verg. 1 Sam.
XXll : 20 met 2 Sam. VIII : 17 en 1
Kron. XVIII : 16), dat het moeilijk te
zeggen is, welke die van den vader, en
welke die van den zoon was, of dat beide
namen misschien aan elk hunner toebe-
hoorden.
Les XXXII. — De twaalf Apostelen.
aWeid Mijne schapen».
Te lezen — Mark. III : 6-19; {verg. Matth. IX : 15—38, X; Mark. VI : 7—13;
Luk. VI : 12-16, IX : 1—6).
Te leeren — Luk. VI : 13; 1 Petr. V : 2—4. (Gez. 27. Gez. 246 : 1).
Voor den Onderwijzer.
In het ccAanhangseb over de chronologie van de Prediking in GaUlea
(zie biz, 90) wordt er op gewezen, hoe groote plaats in de Evangeliën wordt
ingeruimd voor de gebeurtenissen van een of twee bijzondere dagen. Wij zijn
nu lot een dezer dagen genaderd, en de volgende vijf Lessen zijn gewijd aan
de gebeurtenissen, die, bij eene zorgvuldige vergelijking van de verschillende
verhalen, deze gekenmerkt schijnen te hebben. Dit feit kan met voordeel
gebruikt worden om deze Lessen in belangrijkheid te doen winnen, door
realiteit te geven aan de verhalen, waarop zij gegrond zijn. In deze eerste
Les wordt de groote gebeurtenis, waarmede de dag begon, — de aanstelling
van de Twaalven (zie Luk. VI: 13) — om redenen, die in Aant. 1 opgegeven
zijn — met hetgeen voorafgegaan was in verband gebracht.
De woorden des Heeren in Matth. IX: 36—38, welke de sleutel zijn van
een groot gedeelte der Les, geven twee voorbeelden van het Apostolische werk
aan de hand, nl. het hoeden der schapen en hel inhalen van den oogst.
Het eerste wordt hier alleen ter verduidelijking gegeven, daar het laatste reeds
in Les XVII gebruikt is.
De toepassing kan lot allen in hel bijzonder gericht worden, hetzij lot hen,
die «schapen» zijn, die men hoeden moet, of tot diegenen, welke zijn of
moesten zijn (op welk eene nederige wijze ook) de «schaapherders» ; lot hen,
die eenvoudig leerlingen zijn, of tol hen, die als ((.apostelenr> «uitgezonden»
kunnen worden. Het spreekt vanzelf, dat de eerste de natuurlijke toepassing
voor de groote meerderheid van onze Zondagschoolleerlingen is; en zij biedt
eene goede gelegenheid aan om de ware betrekking tusschen de «leerlingen»
en hen, die ze onderwijzen, aan te toonen — van de «schapen» en «lammeren»
tot diegenen, welke ze hoeden — d. i. tol den herder der gemeente of den
onderwijzer hunner Zondagschool. Dit laatste punt moet vooral behandeld
worden met oudere leerlingen; men doe het ook met jongere, indien zij een