Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
146
XXXI. GESCHILLEN OVER DEN SAIJBAT. 146
Hieruit blijkt duidelijk de bedoeling van
den Heer, nl. dat Hij zoo handelde om
de quaestie op te werpen, want al deze
genezingen hadden even gemakkelijk op
een anderen dag plaats kunnen hebben.
Daarenboven werden de twee genezingen
te Jeruzalem, welke den grootsten indruk
op de gemoederen des volks moesten
maken, door bevelen gevolgd, die niet
missen konden ze openbaar te maken
(Joh. V: 8, IX : 7). Merk ook op, dat dit
het eenige geval is, dat er van Christus'
«toorn» melding wordt gemaakt. Kan
men er aan twijfelen, dat de huichelachtige
dwingelandij der Farizeën met het oog
op den Sabbat Hem tot eene bijzondere
ergernis was?
2. Het is even zeker, dat de wijze,
waarop Jezus den Sabbat hield, er veel
toe bijbracht om Hem bij de oversten
gehaat te maken. Dit was de oorzaak, dat
er eene samenzwering tegen Hem gesmeed
werd, zoowel te Jeruzalem (Joh. V : 16)
als in Galilea (Mark. IH : 6). Het is waar-
schijnlijk, dat de verandering in de gevoe-
lens der Galileesche priesters en Farizeen
jegens Hem veroorzaakt werd door den
invloed der «Schriftgeleerden, die van
Jeruzalem gekomen waren», die een paar
verzen later vermeld worden (Mark. III: 22),
en die waarschijnlijk uit de hoofdstad afge-
zonden waren, na de gebeurtenissen van
Joh. V, om de Galileërs tegen Hem op te
stoken. Zie Aanh. Ven Les XXV. Aant.2.
Het is vreemd, dat wij de Herodianen (de
aanhangers en hovelingen van Herodes
Antipas) aan deze vervolging zien deel-
nemen, daar zij, in de ontzenuwende at-
mosfeer van een zondig hof levende, weinig
sympathie moesten hebben voor de nauw-
gezette Farizeën; en deze laatsten, die
alle vreemde en half-vreemde heerschappij
haatten, konden evenmin sympathie met
hen hebben. Maar de Farizeèn richtten
zich waarschijnlijk tot hen om hulp, daar
Galilea een gedeelte van Herodes' gebied
was, en zijne tusschenkomst misschien
noodig zou zijn.
3. Lukas vermeldt (de twee oudste
handschriften laten echter het woord weg),
dat de wandeling door de korenvelden
op den «tweeden-eersten Sabbat» (letterl.
vert.) plaats had. Deze uitdrukking wordt
nergens anders gevonden en hare betee-
kenis is onzeker.
4. Het plukken van het koren in eens
andermans veld werd uitdrukkelijk door
de wet vergund (Deut. XXIH : 25) en is
nog eene erkende gewoonte in het Oosten.
Het vergrijp van de discipelen lag hierin,
dat zij het op den Sabbat deden. Het
plukken werd beschouwd als een soort
van maaien, en het wrijven der aren
tusschen de handen (Luk. VI : 1) als een
soort van dorschen, en zoowel maaien als
dorschen was verboden.
5. De « toonbrooden » {d. i. de brooden,
welke getoond moeten worden voor God)
werden eiken Sabbat versch op de tafel
in het Heihge gelegd, als eene erkentenis,
dat alle voedsel van God kwam. David
had ze klaarblijkelijk op een Sabbatdag
genomen (1 Sam. XXI: 6, verg. met Lev.
XXIV : 8), hetgeen de beteekenisvan de aan-
leiding dezer gebeurtenis nog duidelijker uit
doet komen. De eigenlijke strekking van het
argument is echter om fle ondergeschikt-
heid van uiterlijke wetten aan werkelijke
noodzakelijkheid aan te duiden. Let op de
woorden «en ook gegeven heeft dengenen,
die met hem waren», welke aantoonen
hoe juist de toeUchting is gekozen. De
tweede bewijsgrond, alleen door Mattheus
gegeven (XII : 5, 6), staat gelijk met —
«Indien de priesters den Sabbat onge-
straft mogen ontheiligen in den dienst van
den Tempel (zie Num. XXVHI: 9), mogen
mijne discipelen zooveel te meer den Sab-
bat ontheiligen in den dienst van Eén, die
grooter is dan de Tempel.»
6. «De Sabbat is gemaakt om den
mensch», enz. De bedoeling, waarmede
de Sabbat ingesteld werd, was, dat hij
den mensch tot zegen zoude zijn; de
bedoeling, waarmede de mensch geschapen
werd, was niet, dat hij den Sabbat zou
houden» (Trench).
De «Zoon des Menschen» is hier niet
de mensch, zooals somtijds wordt beweerd.
De uitdrukking komt acht en tachtig keer
voor in het N. T. en verwijst altijd naar
Christus. Hij wordt zoo genoemd, omdat
Hij de volmaakte mensch is; en naardien
Hij als zoodanig de «wettige heer is van
de geheele schepping, zooals den mensch
was toegestaan (zie Hebr. II : 6—9), en
van alles, wat voor den mensch gemaakt
is» (Alford), is Hij Heer ook van den
Sabbat.
7. Het is voor velen een bezwaar, dat,
ofschoon, volgens Markus, Jezus den hooge-
priester, die David de toonbrooden gaf.