Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
142
XXXI. GESCHILLEN OVER DEN SAIJBAT. 142
zeggen «een glas» voor een kroes of
beker, van glas gemaakt. Het woord is
afgeleid van een plaats, genaamd Alabas-
tron, in Egypte, welks marmer, naar men
dacht, bijzondere eigenschappen had voor
het bewaren van zalven.
5. Er zijn schijnbare moeilijkheden in
de gelijkenis van de twee schuldenaars,
welke verschillend worden uitgelegd. Maar
de inkleeding en andere bijzaken van de
gelijkenissen van den Heer moeten niet
te veel uitgeplozen worden, alsof elk woord
eene geestelijke beteekenis had. Hij wilde
ongetwijfeld niet zeggen, dat Simon's schuld
tot die der vrouw stond als vijftig pen-
ningen tot vijfhonderd; en ook niet, dat
Simon reeds vergeving had ontvangen of
liefhad. Toch hadden deze punten eene
bepaalde bedoeling. Simon kon er op ge-
voelige wijze eene les uit trekken, welker
beteekenis hij wel moest hepijpen; zie
de Schets. Ook moet men niet uit deze
gelijkenis afleiden, dat, omdat hij, wien
het meest vergeven was, het meest lief-
had, de grootste zondaar altijd de grootste
heilige zal zijn; het is niet zoozeer de
werkelijke grootte der zonde, waarvan
hier gesproken wordt, als wel de mate,
waarin zij wordt gevoeld; een schuld is
iets, dat wij kennen en gevoelen.
0. Vers 47 beteekent niet, dat de vrouw
vergeving ontving, omdat zij veel liefhad.
Juist het tegendeel was waar: zij had lief,
omdat zij vergeving had ontvangen. Toch
is het woord «want» zeer juist, en de
zin zou aldus gelezen moeten worden:
«Gij kunt zien, dat hare zonden vergeven
zijn, want ziet hoe lief zij heeft!» zooals
wij zouden zeggen: «Het kind is beter,
want het lacht.»
Les XXXI. — GeschiHen over den Sabbat.
(iDe Zoon des Menschen is Heer ook van den Sabbat».
Te lezen — Mark. 11:23-28; Hl : 4-6 {verg. Matth. XII : 4—14; Luk. VI: 4-11).
Te leeren — Matth. XV : 8, 9; Jes. LVHI : 13. (Gez. 62 : 2, 3, 5).
Voor den Onderwijzer.
Elk nauwgezet onderwijzer zal gevoelen, dat er bijzondere wijsheid en tact
vereischt worden, om deze Les goed te onderwijzen. Hij zal natuurlijk deze
vrucht van haar begeeren, dat bij de leerlingen hel in-acht-nemen van
den dag des Heeren bevorderd worde; en toch zullen velen stuiten op de
moeilijkheid, dat dit gedeelte schijnbaar juist eene tegenovergestelde strekking
heeft. Men kan er zich niet van afmaken door eenvoudig te zeggen, dat de
gevaren van den tegenwoordigen tijd in ons land van geheel anderen aard zijn dan
die in de dagen van Christus in Palestina, en dat Zijne leeringen over dit onder-
werp geen betrekking hebben op ons, omdat, indien Hij nu hier ware, Hij geheel
anders zou spreken. Hel is nog zeer de vraag of dit waar zou zijn, en in
elk geval zal een verstandige, vlugge jongen er niet door overtuigd worden.
Maar laat hierop gewezen worden, dat Jezus' woorden gericht zijn tegen
een verkeerde voorstelling, die zoowel de oorzaak is van het eene als van het
andere kwaad — van de Farizeesche onverdraagzaamheid zoowel als van de
onverschillige verwaarloozing in den tegenwoordigen tijd; — dan zijn het niet
onze denkbeelden, maar de krachtige lessen des Heeren, die wij op het geweten
laten werken. En welke is deze verkeerde voorstelling? Het is eenvoudig deze, dat
die ééne dag van de zeven (om zoo te spreken) een opgelegde schatting, een ken-