Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
141 XXX. DE FARIZEËR EN DE BOETVAARDIGE ZONDARES.

het zwaarst. Dit was ook het geval met
den Farizeër. Maar wat is de oorzaak?
{Om «oorzaak en gevolg toe te lichten,
gebruike men het beeld van de wortels
en de vruchten; leest men ook eene
druif van doornen, of vijgen van diste-
len?y> (Matt. VIII : 46). Aan aangename
en onaangename geluiden en geuren
kan men nagaan van waar zij komen).
DU is de oorzaak — geen gevoel van
zonde — dus geene behoefte aan een
Zaligmaker. Maar is dit zoo, dan verleiden
wij ons zeiven tekst om vayi buiten
te leeren) — de zonde is er — de schuld
moet betaald worden — wij [hebben «niet
om te betalen» — indien ons nu niet uit
vrije genade vergeven wordt, zal de
«laatste penning» van ons worden geëischt
op den dag der afrekening.
"2. Maar gevoelen wij onze zonde —
onze schuld — de nietigheid onzer deug-
den — ons onvermogen om te betalen?
Dan zullen wij, evenals de vrouw, tot
Christus gaan — onze zonden belijden —
en wat dan? (1«'® tekst om te leeren).
En wij weten meer van Hem dan zij: wij
kennen niet alleen Zijne goedheid, hooren
Zijn « Komt tot Mij» — maar weten ook, dat
Hij voor diezelfde zonden gestorven is,
Zelf de schuld heeft betaald. Kunt gij
hieraan denken en Hem niet liefhebben?
Zie wat Paulus' liefde uitwerkte tekst
om te leeren). En indien wij Hem lief-
hebben, dan zijn wij bereid om Zijne
slaven te zijn, alle slechte dingen om
Zijnentwil op te geven, alle goede dingen
aan Zijn dienst te wijden.
Aanteekeningen.
4. In het Oosten, waar er nooit zulk
eene afscheiding van standen is geweest
als bij ons, was het de gewoonte om de
huizen ook gedurende de maaltijden open
te laten staan; er kwamen dan dikwijls
vreemden binnen loopen, die zich met de
aanzittenden onderhielden, maar geen deel
namen aan den maaltijd; dit zal wel in
't bijzonder het geval geweest zijn bij zulk
een groot feest.
2. Zie over de beleefdheden, door Simon
veronachtzaamd: Gen. XVIII : 4, XIX: 2,
XXIV : 32; Ruth Hl: 3; 1 Sam. XXV : 41;
Ps. XXXIII : 5, CXLI : 5; Pred. IX : 8;
Dan. X : 3; Amos VI : 6; Matth. VI; 17.
Wanneer de voeten alleen met sandalen
bekleed zijn, is het wasschen zoowel eene
noodzakelijkheid als eene verkwikking.
Olie en zalf worden in alle warme landen
algemeen gebi uikt om het springen der
opperhuid te voorkomen. Het was eene
Joodsche gewoonte om liefde en achting
voor een Rabbi te toonen door zijne voeten
te omhelzen (zie Matth. XXVIII : 3).
3. De daad van de boetvaardige vrouw
moet zorgvuldig onderscheiden worden
van die van Maria van Bethanië, in Matth.
XXVI, Mark. XIV, Joh. XH verhaald. Vele
oudere schrijvers en sommige nieuwere
verwarren ze met elkander, maar het
eenige punt van overeenkomst is de naam
van den gastheer; en Simon was de meest
algemeene van de Joodsche namen; in
het N. T. alleen wordt melding gemaakt
van elf personen, die zoo heetten. De mee-
ning, dat de vrouw Maria Magdalena was,
berust ook slechts op eene overlevering,
en kan in het geheel niet bewezen wor-
den. Deze laatste wordt in het volgende
hoofdstuk (VIII ; 2) voor het eerst, als
een geheel nieuwe persoon ingevoerd, en
met zeer verschillende bewoordingen be-
schreven.
De vrouw trad waarschijnlijk het huis
binnen om naar Jezus' woorden te luiste-
ren, en toen zij zag hoezeer Hij werd ver-
waarloosd, ging zij terug om hare zalf te
halen; zij olTerde dus aan Hem op, wat
voor haar eigen gebruik gekocht was.
Alford zegt, dat, volgens het Grieksch,
hare bedoeling alleen was om Zijne voeten
te zalven en te kussen; het wasschen, enz.
was het onwillekeurige uitwerksel van
haar overmatig weenen. Het werd als eene
vernedering voor slavinnen beschouwd,
wanneer zij de voeten van haar meester
met de haren af moesten vegen.
4. «Albasten fleschu — in het oorspron-
kelijke één woord — eene alabastron, eene
flesch, van albast gemaakt, evenals wij