Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
138
XXX. DE FARIZEËR EN DE BOETVAARDIGE ZONDARES.
spraak van bijzonder gewicht gevolgd
wordt.
5. Vers 19 — <iDc Zoon kan niets van
zichzfilven doen». Verg. VIII : 28, XII :
49, XIV : 10. Hij kan niet — omdat
Hij één is met den Vader, zooals in de
Schets is verklaard. Hetzelfde wordt van
den Heiligen Geest in hooidst. XVI : 13
gezegd. Zie de tegenstelling met hetgeen
van den Satan gezegd wordt (VIII : 44).
In dit vers zijn de twee onderafileelingen
van het eerste gedeelte der Schets ver-
eenigd: de eerste stelt vast, dat wat de
Zoon doet, ook door den Vader gedaan
wordt; de tweede, dat wat de Vader doet,
ook door den Zoon gedaan wordt. «T^es^'e-
lijks)), op dezelfde wijze — de eenheid is
volkomen; dezelfde dingen worden gedaan
en op dezelfde wijze.
6. Vers 21—29. Met korte woorden ver-
klaart Jezus, dat het groote werk van God,
de opwekking der dooden en het oordeel,
ook het Zijne is; (vers 21, 22); en dit
wordt in vers 25—29 verder ontwikkeld.
Dat er hier sprake is van twee verschil-
lende opstandingen, wordt door de beste
Schriftuitleggers aangenomen. Van de op-
wekking der doode zielen tot geestelijk
leven wordt gezegd, «de ure komt en is
nu», vers 25; welke uitdrukking niet ge-
bezigd wordt voor de toekomende, alge-
meene opstanding van het lichaam, vers
28. Waarschijnlijk sluit het oordeel zoo-
wel de tegenwoordige wereldordening als
het laatste oordeel in zich (zie de hier-
boven aangehaalde teksten).
7. Vers 32—40. Er zijn hier niet, zooals
dikwijls beweerd wordt, vier getuigen.
«Een ander», in vers 32, is de Vader.
Dan beteekenen de volgende verzen het-
zelfde als: «Ik verwijs niet in het bijzonder
naar Johannes, ofschoon hij van Mij
getuigde, ik ben niet afhankelijk van
menschelijke getuigenis. Ik heb een beter
getuige dan deze»; — nl. de getuigenis des
Vaders, op twee wijzen gegeven: 1®. mid-
dellijk door de wonderen, die Jezus deed
(vers 36); 2^. rechtstreeks — niet door het
hunnen oogen te doen zien en hunnen ooren
te doen hooren (vers 37) — niet (aan
deze ongeloovige Joden) door de innerlijke
getuigenis van den Geest (vers 38), maar
door de Schriften van het O. Testament.
En door ze ijverig (verg. 1 Petr. 1 : 11)
te onderzoeken, zouden zij de getuigenis
des Vaders vinden. In deze Schriften
meenden zij het leven te hebben, en toch,
hoe wederspraken zij zichzelven — zij
wilden niet tot Hem komen, van wien
deze getuigden, en die hun waarlijk het
leven kon schenken.
8. Jezus' woorden ten opzichte van den
Dooper — «Hij was» — «voor een korten
tijd» — duiden aan, dat de prediking van
laatstgenoemde geëindigd, en er waar-
schijnlijk eenige tijd daarna verloopen was:
een sterk bewijs, dat dit hoofdstuk niet
vóór de prediking in Galilea geplaatst moet
worden, welke begonnen was, zoodra Jezus
van de gevangenneming van Johannes ge-
hoord had (Matth. IV : 12).
Les XXX. — De Farizeër en de boetvaardige Zondares.
«Wie van dezen zal Hem meer liefhebben?))
Te lezen — Luk. VII : 36—50.
Te leeren — 1 Joh. I : 7—9; 2 Cor. V : 14, 15. (Gez. 65 : 3).
Voor den Onderwijzer.
De onderwijzer houde twee dingen in gedachten bij het behandelen van
deze Les. (1) Dat de Oostersche gewoonten, waarvan hier sprake is, met
groote klaarheid uiteengezet moeten worden, zal het verhaal begrijpelijk zijn;
(2) dat er vooral op gewezen moet worden, dat de liefde tot Christus de
vrucht — niet de wortel, de uitwerking — niet de oorzaak van berouw en
vergeving is.
Het is onnoodig meer toe te voegen aan hetgeen hierna met voldoende
volledigheid wordt aangegeven en uitgelegd.