Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
137 XXIX. TE JERUZALEM,
VERVOLGING.

vers 36 (verg. III: 2, IX : 33; Hand. H : 22)?
(b) Hunne eigen Schriften — dat zij
ze dan ook «onderzoeken», vers 29; dan
zouden zij zien hoe al de profetieën op
Hem wezen (verg. Luk. XXIV : 27, 44).
Toch wist Hij^ dat zij niet in Hem
zouden gelooven, vers 40, ofschoon Hij
begeerde hen te behouden, vers 34. Waarom
niet? vers 44 (verg. Matth. VI: 2, 5,16) —
Zijne discipelen te zijn, was zoo iets ge-
rings; zouden zij, voor wie allen ontzag
hadden, den Nazarener volgen! — Wat zou
men van hen zeggen! Sommigen hunner
waren geneigd zich bij Hem te voegen,
maar zelfs zij waren bevreesd (zie III: 2,
XII : 42, 43, XIX : 38).
Wij weten niet wat deze wonderbare
toespraak toen teweegbracht. Maar langen
tijd daarna (waarschijnlijk achttien maan-
den) kon Jezus niet naar Jeruzalem gaan;
waarom? (VII :1). Ten tweeden male door
de oversten verworpen (voor de eerste
maal in Hoofdst. II); God had Zijn Zoon—
den «ei'fgenaam» — tot den wijngaard
gezonden, en zij zeiden : « Komt, laat ons
Hem dooden!» (l«"' tekst om te leeren).
Verwerpen wij den Zoon van
God?
Hoeveel meer weten wij dan de Joden!
Voor hen was'Jezus de Nazarener; voor ons
is Hij de gekruisigde, opgestane, ten hemel
opgevarene, almachtige, allen liefhebbende
Zaligmaker. Waren zij blind en goddeloos?
Wat moeten zij dan zijn, die Hem nu
verwerpen! (Zie toepassing van Les XIX).
Welke boodschap zond God aan dezulken?
(2^« tekst om van buiten te leeren).
Aanteekeningen.
1. Dit is het eerste der vele gevallen,
dat Christus \verd aangevallen otn de
wonderen, die Hij op den Sabbat ver-
richtte. Het is merkwaardig, dat Hij zich
hier op geheel andere wijze verdedigde
dan bij andere gelegenheden. In plaats van
Zijn gedrag als mensch te rechtvaardigen,
door zich op het ware beginsel der Sab-
batsviering te beroepen, legt Hij hier de
verklaring af, dat Hij grooter is dan de
Wet, omdat Hij God is. De afzondering
van één dag van de zeven, ofschoon zij
voor de men'jchelijke natuur als tucht en
als voorbeeld noodzakelijk is, is niet nood-
zakelijk voor God, wiens zorgende liefde en
genade eiken dag dezelfde zijn («Wat zou
er van den Sabbat worden, indien God
niet op den Sabbat werkte»? Bengel); —
en Jezus, de Zoon, heeft recht op dezelfde
vrijstelling als de Vader.
Ongetwijfeld was het einddoel van Zijne
genezing van den kreupele het uitlokken
van den strijd, die er op volgde, opdat
Hij zich duidelijk voor de overheerschende
partij der priesters zou kunnen verklaren
(dezen waren de «Joden» uit het Evangelie
van Johannes).
2. Hij zeide, dat «God Zijn eigen Vader»
was (vers 18). De Joden begrepen zeer
goed, dat Jezus aanspraak maakte op eene
bijzondere. Hem alleen toekomende be-
trekking tot God, welke Hem aan Zijnen
Vader gelijk maakte; en dat Hij hen nooit
terechtwees is een van de sterkste bewijs-
gronden voor de waarheid der leer van
(ihristus' Godheid.
3. Vele schrijvers meenen, dat de toe-
spraak, van vers 19 tot aan het einde van
het hooldstuk, als eene formeele verdedi-
ging in de rechtszitting van het Sanhedrin
gehouden werd. Het is nauwelijks denk-
baar, dat Hij werkelijk als gevangene voor
de rechtbank werd gedaagd, maar er kan
wel eene niet-officieele vergadering geweest
zijn van de voornaamste mannen, die Zijn
antwoord op de nu openlijk tegen Hem
gedane beschuldigingen wilden hooren. De
ongewone regelmatigheid van de geheele
toespraak, de toespeling op het gezant-
schap, dat tot Johannes den Dooper was
gezonden (vers 33), de bijzondere, plech-
tige ernst van de laatste zinnen schijnen
alle op zulk eene gelegenheid te wijzen.
Er is waarschijnlijk eene zekere tijd-
ruimte tusschen vers 17 en 19.
4. Wanneer wij de toespraak in hel
algemeen nagaan, merken wij op, dat de
Heer driemaal Zijne plechtige verzekering
«Voorwaar, voorwaar» (vers 19, 24, 25)
gebruikt; 'welke telkens door eene uit-