Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
136
XXIX. TE JERUZALEM, - VERVOLGING.
doet., wordt door u gedaan — geen deel
des lichaams kan uit zichzelf handelen —
alle zijn zij verbonden). Dus toen zij Hem
vervolgden, vervolgden zij God. Wat moeten
zij gedacht hebben! «erger godslastering
dan ooit.»
Wat was nu Jezus' aard'? Was Hij eer-
zuchtig? Was er bedrog in Zijn mond?
Was Hij niet «nederig van harte»? Maar
hier verhoogt Hij zichzelf toch tot God —
waarom? Kan er eene andere reden zijn
dan omdat Hij waarlijk God tvas en is?
(Verg. Matth. 1: 23; Phil. II: 6; Col. I : 15;
Hebr. I).
Wat God doet, dat doet Hij. {Zie
Aant. 6).
W^at denken zij, dat Gods grootste werk
is ? Het scheppen ? — van welke dingen ? —
niet van de aarde, de lucht, het water,
enz,, maar van levende wezens. Leven
te geven is het grootste werk. Welnu,
dit doet Hij ook — Hij, Jezus de Naza-
rener. Verwonderden zij zich, omdat Zijn
woord nSta op» kracht gaf aan den
kreupele? Zij zullen zich nog meer ver-
wonderen (vers 20). Zijn woord zal Gods
grootste werk volbrengen — Hij zal leven
geven — leven aan de dooden (vers 21).
Zijne stem zal nu door doode zielen
(vers 25), op den laatsten dag door doode
lichamen gehoord worden (vers 28). De
kreupele stond op naar Zijn bevel, maar
er zal nog een veel wonderbaarder opstaan
zijn: — zielen uit den dood der zonde
{verwijs naar de vorige Les), tot een
nieuw, heilig, gelukkig leven (vers 24);
lichamen uit het groene kerkhof, uit het
koude gewelf, uit de diepe zee weder ver-
eenigd met de zielen, die ze verlaten had-
den, om gereed te zijn voor het groote
oordeel (vers 19). (Verg. Dan. XII : 2).
En wie zal de menschen oordeelen? Is
dat ook niet Gods eigen werk? — ja,
(Ps. L : 6, LVHI : 11, LXXV : 8) -
maar wie zal de Rechter zijn? (vers 22,
27). (Verg. Hand. XVII: 31; 2 Cor. V : 10).
En wie is deze Zoon van God en Zoon
des Menschen? Hij, de nederige Galileër,
dien zij vervolgen! Zij, de leden van het
Sanhedrin, kunnen Hem nu voor hun
rechterstoel dagen, maar dan zullen zij
voor Zijn rechterstoel staan en Zijn vonnis
ontvangen! En wie zijn zij, voor wie er
dan geen «verdoemenis» is? — (vers 24;
verg. IH : 18, 36; Rom. VHI : 1) — zij,
die Zijn woord hooren. Geleerde rabbi's
en nauwgezette Farizeën moeten den Naza-
rener aannemen, indien zij verlost willen
worden! Stel u den schrik en den haat
voor, wanneer zij dit hooren.
Is dit oordeel een verschrikkelijk voor-
uitzicht voor ons? Voor sommigen is het
dit (Hebr. X : 27). Het behoeft niet. De
Rechter is de Zoon des Menschen. Hij
kent ons, heeft ons lief, leefde en stierf
voor ons. Er is een middel, waardoor wij
«niet beschaamd gemaakt zullen worden
in Zijne toekomst», 1 Joh. II ; 28.
II. Omtrent zichzelf en de
Joden.
Hoe konden zij weten, dat dit alles
waar was? {Zie Aant. 7, 8). Jezus eischt
niet, dat zij het op Zijn eigen woord ge-
looven (vers 31); maar Hij herinnert hun
de bewijzen — de getuigenis {zie Les XHI)
— welke zij hebben, vers 32—39. De
beschuldigde roept Zijne getuigen ter ver-
dediging op. Hebben zij Johannes den
Dooper vergeten, die nu in Herodes' ge-
vangenis is, maar een jaar geleden zulk
een opgang maakte? Wat zeide hij tot
hunne afgezanten? (I : 19, 34). Maar een
grooter Getuige dan Johannes — wie?
vers 32, 37. Wel is waar hadden zij dien
Getuige niet gezien of gehoord, vers 37;
maar zij hadden Zijne getuigenis — op
twee wijzen: — (a) De wonderen —
bewezen deze niet, dat God met Hem was,