Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
135 XXIX. TE JERUZALEM, VERVOLGING.

«Onderzoekt de Schriften», enz. kunnen in deze Les niet opgenomen worden,
zonder dat er waarheden van groot belang worden weggelaten. De vraag, door de
Joden aangaande het houden van den JSabbat opgeworpen, wordt in Les
XXXI uitvoerig: behandeld.
Schets van de Les.
Een groote opschudding onder de voor-
name inwoners van .Jeruzalem. Een jaar
is verloopen sinds de vreemdeling van
Nazareth de koopers en verkoopers uit
den Tempel dreef. Zij hadden naderhand
gehoord, dat Hij doopte, evenals Johannes —
dit verontrustte hen (Joh. IV : 1); daarna
verloren zij Hem een tijdlang uit^hetoog;
dan kwamen er vreemde berichten uit
Galilea, van wonderbare genezingen zooals
Johannes nooit gedaan had, van groote
scharen, die den nieuwen proleet volgden.
Maar nu is Hij weder te Jeruzalem ver-
schenen — heeft het gewaagd om den
Sabbat openlijk te schenden, en een ander
te bevelen hem ook te breken — en dit
nog wel, toen er, wegens het feest, een
menigte vreemdelingen in de stad was
{verwijs naar de vorige Les). Wat moest
er gedaan worden? Duistere gedachten
komen in hun hoofd op — zij moeten
zich op de eene of andere wijze van Hem
ontdoen — al was het door den dood.
Maar er gebeuren nog andere dingen.
Hoort wat Jezus zegt, wanneer Hij van
Sabbatschennis wordt beschuldigd. «God
werkt op den Sabbat» — hoe? In het
bewaren, onderhouden, enz. Woorden er
geen kinderen geboren — sterven er geen
menschen — worden er geen ziekten
genezen — op den Sabbat? Wie doet al
deze dingen? Dit weten zij wel — na-
tuurlijk doet Hij dit; maar, willen zij
zeggen, hoe kan dit een mensch rechtvaar-
digen, die op den Sabbat werkt? Lees
verder wat Hij zegt — « Mijn Vader en ik ».
«Wat! maakt Hij zichzelf dan Gode gelijk j
godslastering, erger dan Sabbatschennis —
sterven moet Hij». {JAe Aant. 1, "2).
Zie nu Jezus tegenover de oversten
{Zie Aant. 3). Stel u voor — aan den
eenen kant velen der voornaamsten van
Jeruzalem — leden van het «Sanhedrin» —
geleerde rabbi's, zooals Gamaliel, Nicode-
mus, enz. — rijken, zooals Jozel" van
Arimathea (verg. Matth. XXVH : 57 met
Luk. XXIII : 50, 51) — machtige priesters
— geslepen Schriftgeleerden en trotsche
Farizeën. Aan den anderen kant één
man, nederig, eenvoudig, nooit door de
groote rabbi's onderwezen (Joh. VH : 15),
een timmerman uit een veracht platte-
landsdorp.
Wat zij tot Hem gezegd hebben, wordt
niet vermeld, maar laat ons zien wat Hij
tot hen sprak —
I. Omtrent zichzelf en den
Vader.
Zij berispten Jezus, omdat Hij God Zijn
Vader noemde, zichzelven met God gelijk
stelde — erkent Hij Zijne dwaling? zegt Hij,
dat Hij dit niet zoo bedoelde, vers 19? —
{Zie Aant. 4). Hij zegt het weder, vers 23 —
zegt, dat Hij, de arme, verachte Nazarener,
dezelfde eer moet ontvangen als God. Waar-
om? twee redenen {Zie Aant. 5): —
1, Wat //tj doeï, rfoeÉ God. Zij berispten
Hem, omdat Hij het wonder op den Sab-
bat gedaan had. Wal zegt Hij? (Vers 19
en 30) — Hij had dit niet alleen gedaan —
God had er deel aan — Hij kan niets
zonder God doen. Waarom? Omdat de
Vader en de Zoon Een zijn (verg. X : 30).
(Voorbeeld. — Wat uiv hand of voet