Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
134
XXIX. TE JERUZALEM, - VERVOLGING.
evenals bij eene minerale bron. Hoe het
denkbeeld van de bijzondere uitgebreid-
heid (het genas alle kwalen) en van de
bijzondere beperktheid (het genas slechts
één te gelijk) dier kracht ontstond, is
moeilijk na te gaan. Dat het algemeen
gelool'J werd, was duidelijk, wat dan ook
voor de oorzaak gehouden werd; en het
was in overeenstemming met alle Joodsche
denkbeelden om zulk eene kracht aan de
inwerking van een engel toe te schrijven
(zie b.v. het boek Tobias). Bij het over-
schrijven heeft misschien de een of ander
(een veel verbreide gewoonte volgend)
eene kantteekening aan het manuscript toe-
gevoegd, waarin hij verklaarde hoedanig
de onder het volk gangbare voorstelling,
waarop de Evangelist zinspeelt, eigenlijk
was. Later hebben zij, die het overschreven,
misschien gemeend, dat het vers toevallig
was uitgelaten, en het weder tusschen den
tekst gevoegd; en zoo is het dan tot ons
gekomen.
Les XXIX. — Te Jeruzalem. — A ervolgiiig.
«Opdat zij allen den Zoon eeren gelijk zij den Vader eeren.»
Te lezen — Gedeelten van Joh. V.
Te leeren — Lukas XX : 13, 14; Hebr. XH : 25. (Gez. 122 : 1, 6).
Voor den Onderwijzer.
Het onderwerp dezer Les is een van de moeilijkste, welke wij tot nog toe
behandeld hebben. Geen der toespraken van den Heer, die in de Evangeliën
vermeld worden, is zoo diep en is het zoo waard om grondig bestudeerd te
worden. Het spreekt vanzelf, dat men in eene Les voor de Zondagschool
niet verder dan de oppervlakte kan gaan, en een of twee voorname punten
aanroeren. Den onderwijzers wordt ten zeei^ste aanbevolen om hunne taak niet
moeilijker te maken dan zij ontegenzeglijk al is, door de opgegeven verzen
in de klasse te laten voorlezen, al meenen zij ook, dat dit over het algemeen
beter is. Ook moeten zij niet verwachten in de Aanteekeningen eene verklaring
te vinden van al de zwarigheden, die zij zullen aantreffen, wanneer zij vers
voor vers het hoofdstuk bestudeeren. De Schels geeft de wijze aan, waarop
de Les (zoo wij hopen) met vrucht onderwezen zal kunnen worden, en de
Aanteekeningen hebben alleen ten doel om den onderwijzer in het opvolgen
van deze methode te helpen.
De twee afdeelingen van de Schets zijn niet geheel juist. Bijvoorbeeld zou
het laatste gedeelte van de eerste misschien even goed bij de tweede afdeeling
genomen kunnen worden. Maar het doel is om in grove trekken een plan te
geven, waarnaar de Les moet worden ingericht. De toepassing aan het einde
der Les is slechts kort, maar zij is een dergelijke als in Les XIX,
en de onderwijzer kan daarheen verwijzen. Maar de voornaamste punten
komen voor in de eigenlijke kern der Les, t. w. de Godheid van Christus
(een zeer belangrijk punt, dat met vrucht onderwezen kan worden op de in
de Schets aangegeven wijze) en de leer der opstanding en van het oordee).
Andere punten van toepassing, zooals de «Brandende en lichtende kaars»,