Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
132
XXVllI. TE JERUZALEM. — DE KREUPELE TE BETHESDA.
ook het recht hebben om te bevelen. Wel,
denken zij bij zichzelven, dat is nog erger
om zonder schroom iemand te hevelen
den Sabbat te breken. — «Wie is het?»
Ziet, het is hun onverschillig wie zulk eene
genezing bewerkte — zij willen alleen
weten wie den Sabbat gebroken heeft.
(6) De man is in den Tempel — waartoe !
zou hij daar zijn? Zie Ps. XXVII : 6,
cm : 2, 3, CXVI ; 12-14; Luk. XVII :
15; Hand. Hl : 8. Maar is het voldoende
God te danken? Jezus waarschuwde hem
op ernstige wijze, opdat hem niet «iets
ergers» geschiedde — erger dan acht en
dertig jaar pijn en hulpeloosheid. Laat
hem Gods lof niet alleen met zijne lippen,
maar ook in zijn leven betuigen.
Welke gevolgen dit wonder voor Jezus
had, zullen wij aanstaanden Zondag zien. |
Trachten wij nu de oplossing van eene ;
moeilijkheid te vinden, waarover jongens |
en meisjes dikwijls in verlegenheid zijn —
hoe zij kunnen doen wat schijnbaar eene
onmogelijkheid is. Laat ons drie vragen
stellen.
I. Het bevel.
Wat zeide Jezus tot deyi man, dat hij
doen moest?
«Op te staan en te wandelen». Ook
tot ons zegt Hij dit. Hij ziet ons van dag
tot dag voortleven, alsof er geen God,
geen toekomend oordeel, geen gevaar voor
zonde en den Satan, geen Zaligmaker, die
ons wil verlossen, bestond — evenals de
slapenden en dooden — èn wat zegt Hij?
— Ef. V : 14 — «Ontwaakt! staat op!»
En dan moeten wij «wandelen» — hoe?
«In nieuwigheid des levens» (Rom. VI ;
«gelijk Hij gewandeld heeft» (1 Joh.
H : 6; zie ook 1:6, 7, II : 10, 11;
2 Joh. 4; 3 Joh. 4); zoo, dat wij «Gode
behagen» (1 Thess. IV: 1). En «loopen».
als een wedlooper (1 Cor. IX : 24; Hebr.
XH : 1).
IL De moeilijkheid om het be-
vel te gehoorzamen.
Waarom was het moeilijk om <top te
staan en te wandelen?»
Omdat de man kreupel, hulpeloos was.
Dit is juist wat wij ook zijn. Niet naar
het lichaam — wij loopen gemakkelijk
genoeg. Niet naar het verstand — wij
leeren vlug genoeg. Maar naar de ziel. Gij
weet het ook — gij gevoelt het zoo dikwijls
— gij gevoelt werkelijk, dat het iets ge-
lukkigs moet zijn om «vroom» te wezen,
maar om de een of andere reden kan
het niet. Deze gewoonte, die vriend moet
b.v. opgegeven worden — dat kan niet.
Deze of gene plicht moet gedaan worden
— het kan niet. Waarom ? — wij zijn
«krachteloos» (Rom. V : 6) —en waarom
dit? — zonder Christus en daardoor —
zie Joh. XV: 5. Het is even moeilijk voor
ons om ons leven, als voor den neger om
zijne zwarte kleur te veranderen (Jer. XIH :
23). Zelfs wanneer wij zijn «opgestaan»,
wanneer wij ware Christenen zijn, is het
niet gemakkelijk te «wandelen»; zie hoe
Paulus dit vond, Rom. VII : 15—23.
III. Het bevel gehoorzaamd.
Hoe kon [de man « opstaan en wan-
delen ? »
Omdat Jezus er hem de macht toe gaf? —
j ja — maar hoe gaf Hij die aan hem?
; Hij zeide hem eenvoudig op te staan.
Indien de kreupele gezegd had: «Maar
ik kan niet» — dan zou hij niet genezen zijn.
Hij beproefde, en zag, dat hij kon. Wat
deed hem beproeven? Gaf Jezus hem eerst
het gevoel, dat hij kon? — geenszins —
Hij gaf niets anders dan het bevel. Maar
hij richtte zijne oogen op Christus en was
zeker, dat Hij niet met hem zoude spotten
en iets bevelen, dat onmogelijk was — dus
gehoorzaamde hij; en toen hij gehoor-
zaamde, ontving hij ook de kracht.
Vele jongens en meisjes, die gaarne