Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
128 XXVII. DE KRANKE VROUW EN HET DOCHTERTJE VAN JAÏRUS.
hen, die op Hem betrouwen ») — bevend
valt zij voor Hem neder en belijdt alles
openlijk.
Hoe verkreeg zij den zegen? Hiei- was
hare kwaal — daar was Christus' macht.
Wat bracht deze tot elkander? De aan-
raking? Maar wat zeide Petrus? (Lukas)
— was dit niet waar? En toch zegt Jezus,
dat hare aanraking geheel anders was
dan die van de menigte — hoe dat? Zie
wat Hij tot haar zeide, vers 34 — wat had
haar behouden? De menigte raakte Hem
aan zonder er bij te denken —die menschen
bedoelden er niets mede; zij raakte Hem
aan, omdat zij geloofde. — Wat? Dus,
zooals hare hand Zijn kleed aanraakte,
zoo raakte haar geloof Zijne goddelijke
macht en liefde aan. En Jezus riep haar
opzettelijk, opdat zij dit zoude weten —
niet zou denken, dat er eene geheime
wonderkracht in Zijn kleed was — maar
dat Zijne macht en liefde genazen, omdat
zij vertrouwde. {Zie Aant. 4, 5).
(2) De overste. Arme Jaïrus! — hoe
ongeduldig zal hij geweest zijn bij dit op-
onthoud op den weg — en ach! nu is het
te laat — daar komt eene boodschap uit
de ziekekamer, vers 35. Jaïrus moet ook
leeren, wie Zijne hulp kunnen verwachten
— het is niet genoeg, dat het kind ziek
is — andere kinderen zijn ook ziek en
worden niet genezen — er is iets noodig
— geloof — en als er «alleenlijk» geloof
is, dan maakt het voor Jezus geen ver-
schil of het kind stervende of dood is.
Eindelijk aan het huis gekomen. De
gehuurde klagers zijn er reeds — hoort
hunne luidruchtige weeklachten (zie 2 Kron.
XXXV: 25; Jer. IX : 17—20; Amos V : 16).
Maar eensklaps gaan zij over in spot-
tend gelach — waardoor? vers 39, 40.
Waarom noemde Jezus den dood slaap
(verg. Joh. XI : 11—14)? wij wekken een
slapende — eve7i gemakkelijk wekt Hij
de dooden (Joh. V : 28; 1 Thess. IV :
15, 16)! Nu staat Hij bij het bed. Daar
het levenlooze lichaam — hier de Heer,
de Schepper en Verlosser; wat kan Zijne
macht met dat lichaam in aanraking bren-
gen ? Hetzelfde als te voren — alleen geloof.
Wie zijn daar ook? Alleen zij, die gelooven,
de vader en moeder weenen — Petrus,
Johannes en Jakobus verwonderen zich —
toch vertrouwen zij; de spotters zijn uit-
gedreven — indien het wonder van hun
geloof afhing, wanneer zou het dan ge-
daan kunnen worden (Matth. XIII : 58;
XVII : 20)?
Luistert! — Hij spreekt tot het doode
kind — met welk eene teederheid — met
dezelfde woorden misschien, waarmede
hare moeder haar des morgens wekte —
«Dochtertje, sta op» (Zie Aant. Q). Ziet —
zij staat op — leeft zij werkelijk? — ja,
zij kan loopen en eten, vers 42, 43.
Hebben wij niet evenzeer be-
hoefte aan hulp als zij ? Voor ons
zeiven evenals de vrouw. Wij gevoelen,
dat er iets verkeerds in ons is, dat slechte
gedachten, slechte woorden, slechte daden
voortbrengt. «Wij hebben deze dingen
nagelaten, enz., en die dingen gedaan»,
enz. — waarom? «er is geene gezond-
heid in ons». Wij zoeken hulp bij doc-
toren — veranderen onze levenswijze
B.v. — Een jongen, die gevoelde, dat hij
niet «godsdienstig f> kon wezen op zijne
werkplaats, gaf deze betrekking op en
kreeg een andere (historisch) — het hielp
niet — wij worden niet «beter» — het
kwaad is in ons zelf.
Voor anderen, evenals Jaïrus. (Kies een
voorbeeld uit uwe klasse — b.v. een meisje,
dat gaarne had, dat haar broertje een
gehoorzamer jongen was).
Kan en wil Christus ons nu even goed
helpen als toen? (Hebr. VU : 25, XIH : 8).
Wat kan Zijne macht in aan-