Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
127 XXVII. DE KRANKE VROUW EN HET DOCHTERTJE VAN JAÏRUS.
in den omgang, kracht tegen verzoeking:
Christus kan in alles voorzien — Hij wil
geven — en toch, hoe weinigen verkrij-
gen het! B,v. — Een jongen, die vroeger
een lastig humeur had, wenschte dit te
overwinnen, dat Christus het kon
doen, toch zeide hij: « Meester, ik kan
niet {historisch).
Heden zullen wij de geschiedenis van
twee personen lezen, die zegeningen van
Christus verlangden, en die zij ook ver-
kregen.
I. "Wat zij van Christus be-
geerden.
(1) De overste. Wanneer een vader en
moeder slechts één dochtertje hebben,
hoe dierbaai- zal het hun dan zijn! Welk
een angst, wanneer het ziek is.
Te Kapernaüm was er in een groot
huis diepe droefheid — het eenige doch-
tertje was stervende — hoe oud? {Zie
Lukas). Wat te doen? Jaïrus herinnert
zich wat hij gezien heeft, toen hij als
overste in de synagoge zat {Les XXI) —
hoe hij en de andei e oversten naar Jezus
gingen om voor den goeden Romein te
pleiten {Les XXIII) — nu zal hij voor
zijn eigen kind gaan. Ziet hoe hij zich
voortspoedt — waarheen? Tot wien spreekt
Jezus nog? Matth. IX : 18 {Zie Aant. 1).
In aller tegenwoordigheid — trotsche
Farizeën en gesmade tollenaars — valt
hij, die in de synagoge hooger zit dan zij
allen, in diepe verslagenheid neer aan de
voeten van Jezus. Let op Jezus — Hij
heeft juist geweigerd aan Zijne nieuwe
discipelen uit de tollenaars te zeggen, dat
zij er treui'ig en somber uit moeten zien
{vorige Les) — maar nu er werkelijk
een treurende tot Hem komt, zal Hij dien
verstooten ?
(2) De kranke vrouw. Gaat twaalf jaar
terug — toen Jezus onopgemerkt als dorps-
timmerman werkte. Wat gebeurde er
toen te Kapernaüm? vers 25, 42 — (a)
Jaïrus en zijne vrouw zeei' gelukkig —
een meisje is hun geboren; (5) eene voor-
name Joodsche vrouw is ziek, zij laat den
dokter komen. Wie had kunnen denken,
dat deze nederige Nazarener op eenzelfden
dag dat kind en die kranke vrouw zou
genezen. Al den tijd, dat het kleine meisje
tot den leeftijd van twaalf jaar opgroeide
(sommigen uwer weten hoe lang dat is) —
was deze vrouw lijdende. Zij had over-
vloed van geld, maar langzamerhand alles
verteerd — waaraan? Nu was zij zoowel
arm als ziek en na elk geneesmiddel be-
proefd te hebben, erger dan vroeger (vs. 26).
Zij kent ook Jezus — maar zij is be-
scheiden en stelt zich niet op den voor-
grond — zij wil Hem niet gaarne de
lange, treurige geschiedenis vertellen —
en toch kan Hij zekerlijk genezen — en
indien Hij zulk een macht had, kan Hij
dan niet genezen zonder het te weten?
i Zou het niet voldoende zijn Hem aan te
; raken? Zij ziet hoe het volk Hem bij
groote scharen volgt, wanneer Hij van
i Mattheus' huis naar dat van Jaïrus gaat —
j nu is er eene goede kans — zij kan tot
1 Hem komen zonder opgemerkt te worden.
II. Hoe zij verkregen hetgeen
I zij begeerden.
! (1) De kranke vrouw. Ziet, hoe zij
I langzaam nadert — zij is vlak bij Hem —
I ziet den zoom van Zijn kleed {Zie Aant. 3)
I — niet zoo breed als bij de Farizeën,
maar toch heilig (denkt zij) — dien zal
zij aanraken. Terstond is zij genezen. —
De groote Medicijnmeester {vorige Les)
heeft gedaan wat al de anderen tever-
geefs beproefden. Zij trekt zich teiug in
de menigte — met welk een dankbaar
gemoed! Maar — zij zal ontdekt worden
— wat vraagt Jezus? vers 30. — Hij
heeft zich omgekeerd — Zijn oog rust op
haar (verg. Nah. 1:7 — «Hij kent