Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
124
XXVI. DE ROEPING VAN DEN TOLLENAAR. 124.
Kon hunne nieuwe liefde voor Hem in de
oude voorgeschreven vormen gedwongen
worden — kon hunne vreugde gebonden
worden door de oude strenge regels om-
trent vasten en bidden? Dat zou wezen
alsof men een versleten rok met een
cngekrompen stuk uit een nieuw kleed
wilde verstellen — alsof men nieuwen,
nog gistenden wijn in oude lederzakken
wilde doen. Zulk eene handelwijze kan alles
bederven. {Zie Aant. 5).
Christus roept ons nog —
Hij roept, zooals eertijds, zondaren tot
bekeering. Zijn er misschien eenigen onder
KI, die zichzelven geen zondaars achten? —
Dan hebt gij niets met Hem te maken.
Voelen eenigen hunne zonde — en wen-
schen zij er van verlost te zijn? — Gaat tot
<ien Medicijnmeester.
Hij roept ons, zooals eertijds, niet tot
harde plichten en een treurig leven,
maar om gelukkig te zijn. Indien een
Jood in die dagen God liefhad, zou hij
dit toonen door vele reinigingen, gedurig
vasten, vormelijke gebeden, enz., omdat
het hem zoo geleerd was — en toch zou
hij zich nooit volkomen gelukkig gevoelen;
altijd vreezen, dat hij niet genoeg gedaan
had om God te voldoen. Wij weten beter.
Indien \vij God liet hebben, kunnen wij
trachten alles te doen om Hem te behagen
— bidden, werken, ons zelf verloochenen —
maar waarom? Niet om aangenomen te
worden; maar omdat Hij ons «begenadigd
heeft in den Geliefde» (Ef. 1 : 6). Onze
liefde moet hieruit blijken, dat wij zeiven
gelukkig zijn en anderen gelukkig maken.
Wij kunnen niet zooals Mattheus «Jezus
tot een feest uitnoodigen», maar Hij uoodigt
ons uit, Jes. LV : i.
Aanteekeningen.
1. Daar de inkomsten verpacht werden,
verkocht men het recht om in een zeker
gedeelte van het land geld op te halen,
voor een vaste jaarlijksche som, aan een
«tollenaar», die er dan uithaalde, wat hij
maar kon: en daar slechts gewetenlooze
menschen van de allerlaagste standen be-
reid waren om beambten te zijn van de
Romeinsche overwinnaars, was hiervan
het gevolg, dat de menschen dikwijls op
onwettige wijze werden uitgeperst. Zie Luk.
IH : 13, Xl'X : 8. De afkeer, dien men
in het algemeen van de tollenaars had,
blijkt uit vele plaatsen in de Evangeliën,
misschien nog het meest van al uit het
gebod van den Heer zelf, dat een onver-
beterlijk overtreder «een heiden en een
tollenaar» (Matth. XVHI : 17) geacht zal
worden.
2. Het is duidelijk, dat Mattheus en de
Levi van Markus en Lukas één en dezelfde
persoon zijn. Daar deze twee evangelisten
den naam van Mattheus in de lijst der
Apostelen (Mark. 111 : 18; Luk. VI : 15)
noemen, vooronderstelt men, dat Mattheus
(d. i. ngave van God») de apostolische
naam van Levi den Tollenaar was, evenals
Petrus het was van Simeon, en Paulus
van Saulus. Markus noemt Levi den «Zoon
van Alpheus»; waaruit sommigen hebben
afgeleid, dat hij de broeder van «Jakobus,
zoon van Alpheus», was, en daarom (in
de gewone beteekenis) een van Christus'
«broederen». Dit is op zichzelf onwaar-
schijnlijk, en Alpheus was geen ongewone
naam.
3. «Ik wil barmhartigheid en niet
offerande — d. i.: Ik begeer den godsdienst
van het hart, welke blijkt uit daden van
barmhartigheid en liefde, niet den gods-
dienst van enkel uiterlijke plichtsvervul-
lingw. Hadden de Schriftgeleerden, de aan-
gewezen Leeraars van het volk, zich onder
«de Tollenaren en Zondaren» begeven,
om hen tot een beter leven te brengen,
dan zouden zij Gode meer behaagd hebben,
dan door hun overdreven zorg om niet met
zulke menschen in aanraking te komen.
De uitdrukking «en niet olferande» is
betrekkelijk, zooals in Jer. VII : 22.
4. Het vasten van de discipelen van
Johannes moet niet begrepen worden als
een vrijwillig rouwdragen wegens de
gevangenneming van hun Meester, maar
als eene geregelde ascetische gewoonte,
door hem aanbevolen. Het verhaal van