Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
XXVI. DE ROEPING VAN DEN TOLLENAAR.
123.
Misschien om Petrus, Johannes, enz. tegen
hun Meester in te nemen. Wat zeiden zij? —
«Wij dachten, dat deze Jezus ten minste
een goed en achtenswaardig leven leidde — i
maar wat beteekent dit? Wat doet Hij
op zulk eene plaats? Hoe kan Hij zulke
menschen tot Zyne vrienden maken? j
Hoe kan Hij deelnemen aan een hunner j
maaltijden? (Zie Matth. XI : 19; Luk.
XV : 2). '
Antwoordt Petrus? Misschien weet hij
niet wat te zeggen. Maar Jezus hoort het —
ziet wat Hij antwoordt: «Zijt gij zoo goed,
en deze menschen zoo slecht? Tot welke
moet ik dan gaan? Wie hebben den me- ;
dicijnmeester van noode — de gezonden j
ol' de zieken?» Dan herinnert Hij hen |
aan hetgeen God vroeger gezegd had (Hos. ;
VI : 6) — een lielhebbend hart Hem
aangenamer dan veel uiterlijke godsdienst |
(verg. Spr. XXI : 3; Micha VI : 8) — |
indien zij zoo goed zijn, waarom trachten ;
zij dan niet den Tollenaars goed te doen,
in plaats van zich zoo trotsch boven hen
te verheffen? {Zie Aant. 3).
Christus is de medicijnmeester — dit
is de reden, — (a) waarom Jezus met
tollenaren omging — niet om aan hen
gelijk te zijn, maar om die verachte men-
schen op Hem te doen gelijken. Waarom
gaat de dokter naar een zieke? — Om
door zijne ziekte aangetast te worden,
of om hem te genezen? Jezus behandelt
hen als —? en roept hen om —? (vers
13). — (&) waarom de tollenaren Jezus
volgden. Zijne woorden hadden hen van
zonde overtuigd, en zij hadden een vriend
van noode — niet een metgezel, die zich
met hen aan de zonde overgal — maar
een zaligmaker, die hen van de zonde
verloste. Wat voelt en weet iemand, die
om den dokter stuurt?
n. Christus de Bruidegom.
Hoor nu de tweede aanklacht. Er zijn
nog andere menschen binnengekomen,
niet zoo trotsch en verontwaardigd als de
Farizeën, maar twijfelmoedig — ? vers 14.
Zij keuren het niet af, dat Jezus de tol-
lenaren ontvangt; deed hun eigen meester
niet hetzelfde (Luk. IH : 12; VH : 29),
voordat Herodes hem gevangen zette? Maar
hoe zoude hij dan met dezen handelen?
Zoude hij hen niet lang en streng doen
vasten? Vasten zij, zijne getrouwe volgers,
in dezen tijd ook niet {Zie Aant. 4) zooals
hij het had voorgeschreven? Maar Jezus
laat deze feesten der tollenaren toe, en
neemt er deel aan!
Wat antwoordt .lezus hierop?
(1) Zegt Hij, dat het verkeerd is te vas-
ten? — Neen. Zijne discipelen zullen eens
moeten vasten — maar dit is dan niet
omdat het zoo behoort, maar omdat zij er
eene reden voor hebben, omdat zij niet
anders kunnen van droefheid. Het vasten
helpt niet, wanneer het slechts eene zaak is,^
die gedaan moet worden — evenmin als
het gebed — het moet uit het hart voort-
komen {Zie Aant. 4). (Zoo is het met
het gaan naar de kerk, het zingen van
psalmen, enz. Zij kunnen alleen God be-
hagen, wanneer zij werkelijk gemeend zijn>.
(2) Maar waarom was het toen niet
de geschikte tijd om te vasten? Omdat
Hij met hen was. Konden de vrienden
des bruidegoms treurig zijn op de bruilolt?
Christus de Bruidegom — dezelfde
naam, dien Johannes de Dooper Hem ge-
geven had, en verheugde hij zich niet, dat
de lang verwachte Bruidegom eindelijk
gekomen was? (Joh. III : 29). Wie kon
nu nog treuren? — Waartoe was Hij
onder de menschen gekomen? Niet om
te straffen — niet om hun een moeilijke
taak te geven, die zij moesten vervullen
om in den Hemel te komen — maar om
hen uit te noodigen onbezorgd, gelukkig
te zijn, bruiloftsgasten op een bruiloft.