Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
122
XXVI. DE ROEPING VAN DEN TOLLENAAR. 122.
vreemde heerschappij kwam — de belas-
tingen werden verhoogd om vreemde sol-
daten te betalen in plaats van de onze —
welk een weerzin zouden wij dan hebben
om te betalen! En indien de ontvanger
der belastingen alles uit ons haalde wat
hij maar kon, en slechts eene vaste som
had uit te betalen, om de rest voor zich-
zelf te houden — wie zou hem dan ge-
negen zijn, of hem vertrouwen? En indien
hij een Hollander ware, bereid om den
vijand te helpen, als hij er zelf bij winnen
kon — zouden wij dan niet allen een afkeer
van hem hebben en hem wantrouwen?
Juist zoo was het gesteld onder de
Joden, toen Christus op aarde was. De
«tollenaars» (a) haalden de belastingen
op voor de Romeinsche veroveraars; {b)
dikwijls waren zij Joden, en daardoor zoo-
veel te meer gehaat; (c) zij onderdrukten
en bedrogen het volk om zeiven rijk te
worden {Zie Aant. 1). Toen voor de
eerste maal het geld werd opgehaald
(Jezus was toen tien jaar oud), weigerden
de inwoners van Galilea en verzetten zij
zich (Hand. V: 37), {zie Les VIII, Aant. 1);
maar naderhand warden zij gedwongen
zich te onderwerpen. Een tollenaar weid
door alle goede en achtbare Joden gemeden
en veracht (Luk. XIX : 7) — vooral door
de Farizeën (XVIII : 11); zij konden dus
alleen slechte en geringe menschen tot
vrienden hebben.
Te Kapernaüm woonde er een met name
Mattheus {Zie Aant. 2) — hij had eene
drukke standplaats, veel belasting in ont-
vangst te nemen, kon dus groote winsten
maken. Zonder twijfel had hij dikwijls
Jezus gezien en van Hem gehoord, maar —
(a) Zou Die zich om hem bekommeren?
Van welke soort van menschen had Jezus
goedkeurend gesproken ? (Matth. V : 3) —
was Mattheus «arm van geest» ? was hij
niet zelfzuchtig en inhalig? Wat «verga-
derde hij » voor zichzelf? Zou de Profeet,
die zeide «vergadert niets) (Matth. VI: 19),
hem bevallen? En zelfs al was hij bereid
om naar Jezus te luisteren en hem te
gehoorzamen:
(&) Zoude Jezus hem dan ontvangen?
Wilde Hij niet alleen diegenen aannemen,
die rechtvaardiger waren dan de Farizeën
(Matth. V : 20) — hen, die onzelfzuchtig
waren en weldeden aan hunne mede-
menschen (V : 44, 46, 47)? Hoe kon Hij
iets te doen hebben met een inhaligen
tollenaar, die God niet vreesde!
En ziet, toch geschieden er twee vreemde
dingen, vers 9, (a) Jezus roept den tolle-
naar — de tollenaar «verlaat alles» {Lukas}
om Jezus te volgen! {b) Een «groote
maaltijd» door Mattheus gegeven {Lukas)
— zijne medetollenaars en andere vrien-
den, slechte menschen, die in een kwaden
naam staan, worden uitgenoodigd — en
wie is daar nog meer?
Geen wonder, dat er opschudding is in
Kapernaüm. Twee klachten worden er
ingebracht (a) naar aanleiding van de
menschen, die Jezus als Zijne vrienden
en volgelingen toeliet; {b) naar aanleiding
van hetgeen Hij hun vergunde te doen.
Op welke twee dingen maakt Hij aan-
spraak bij het beantwoorden van deze?
{Lees vers 10—17).
I. Christus de Medicijnmeester.
Stel u den maaltijd voor — een groot
gezelschap — Jezus op de eereplaats naast
Mattheus — discipelen en tollenaren zitten
allen bij elkander. Eene stoornis —
anderen staan aan de deur — wie? Zie
hun trotsche blikken — de breede zoomen
(Matth. XXHI : 5) aan hunne kleederen
ten teeken van heiligheid. Hoe kunnen zij
in het huis eens tollenaars komen? — zij
wilden het niet als gasten doen — maar
wel om Jezus te beschuldigen. Tot wie
spieken zij? vers 11 — waarom?