Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
120
XXV. DE GERAAKTE. 120
gemak en weelde veel meer? Is dit den
Heiland lieMiebben, die voor ons stieri'?
Kunnen wij verwachten, dat Hij ons geven
zal wat wij wenschen?
Maar begeeren wij vergeving en genade
bovenal? Zijn onze zonden een last, dien
wij, O zoo gaarne, van ons af zagen ge-
wenteld? En verlangen wij naar de genade
om «niet meer te zondigen?» Weest dan
verzekerd, dat Christus ons zal geven wat
wij wenschen (i Joh. I : 7—10). En zal
j Hij ons dan aan ons eigen lot overlaten?
— Neen, Hij zal er ons alle goede dingen
bij geven (Rom. VHI: 32; Matth. VI: 33).
Wij zullen David zijnen lofpsalm na kunnen
zingen (1»^« tekst om van huiten te leeren).
Misschien zoudt gij gaarne hebben, dat
geestelijke zegeningen u het meeste waard
' waren — maar gij ziet er geen kans toe.
Bid dan om eene andere van Christus'
; gaven: thekeeringn (2''^ tekst om te leeren).
Aanteekeningen.
1. Vers 1. — <i In huis» — volgens
.Toodsch spraakgebruik beteekende dit »te
huis». Sommigen denken, dat Maria met
haar ^ezin naar Kapernaüm verhuisd was:
anderen, dat Jezus het huis van Petrus
niark. I : 29) tot Zijn hoofdverblijf
maakte. Er is green twijfel aan, dat Jezus
toen te Kapernaüm «woonde» (Matth.
IV: 13). De dikwijls aangehaalde wooiden
«De Zoon des menschen heeft niets, waarop
Hij het hoofl neer kan leggen», beteekenen
eenvoudig, dat Hij geene woonplaats had,
die Hij de zijne kon noemen.
2. Bij Lukas vinden wij, dat de Farizeën
en Schrittgeleeiden, in deze geschiedenis
vermeld,« van alle vlekken van Galilea, Judea
en Jeruzalem gekomen waren.» Klaarblij-
kelijk hadden zij dit te zamen afgesproken.
Maar hunne beweeggronden schijnen in
dat vroege tijdperk nog niet van vijandigen
aard geweest te zijn; zij kwamen om zich
van de waarheid dei- berichten, die zij
gehoord hadden, te vergewissen. Zij moeten
duidelijk onderscheiden worden van de
Schriltgeleeiden, die later (Mark. 111:22)
«van Jeruzalem afkwamen» (niet van alle
deelen), en die zonder twijfel met opzet
gezonden waren, om Jezus te bespieden
en vijandige gevoelens tegen Hem te ver-
wekken, want zij vielen Hem openlijk en
met bitterheid aan. In het geval van den
geraakte werden de murmureeringen (die
wel te begrijpen zijn) in het geheel niet
openlijk uitgesproken.
3. Er worden verschillende uitleggingen
gegeven van de wijze, waarop de geraakte
in tegenwoordigheid van den Heer werd
gedragen. De meest algemeene opvatting
is die, welke wij in onze Schets hebben
aangenomen. Alle Syrische huizen van
eenigen omvang zijn in een kwadraatvorm
om eene binnenplaats gebouwd. Dikwijls
is alles gelijkvloers, somtijds ééne ver-
dieping er boven. Een trap leidt van de
binnenplaats naar het dak, dat plat is en
omringd door eene balustrade, en waarop
de meeste huishoudelijke verrichtingen
plaats hebben. De binnenplaats is gedeel-
telijk dooi' eene soort van veranda van
hout of pannen gedekt, als beschutting
tegen de zon. Van de plaats leidt een open
gang naar de straat. De Heer zat onder
de veranda, en leerde het volk. dat de
binnenplaats, waarop de kamers en de gang
uitkwamen, vervulde. Het dak kon ook
bereikt worden van dat van het naaste
huis, ook was er dikwijls een trap van de
straat dadelijk naar het dak (dit verklaart
Matth. XXIV: 17). De «tichelen», die
opgenomen werden, waren die van de
veranda.
4. Wanneer wij de wijze, waarop de
Heer de verschillende zieken en ongeluk-
kigen, die tot Hem kwamen, behandelde,
opmerkzaam beschouwen, zullen wij zien,
dat zij in het eene geval geheel anders
was dan in het andere, en denkelijk afhing
van den gemoedstoestand der kranken.
Het enkele feit, dat Hij den geraakte eerst
vergeving, daarna genezing gaf, schijnt
aan te duiden, dat vergeving de zegening
was, die hij het vurigst begeerde. En de
woorden «wees welgemoed», die bij Mat-
theus onmiddellijk aan het uitspreken der
vergiffeniswoorden voorafgaan, zijn bijna
op geen anderen grond te verklaren.
5. Trench omschiijft aldus de woorden
van Jezus, waarmede Hij Zijn recht om
zonden te vergeven bevestigde: — Deze
macht wordt niet, zooals gij denkt, alleen