Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
XXV. DE GERAAKTE.
119
hart (1 Ki'on. XXVIII: 9; 2 Kion. VI: 30;
Jer. XVII : 10). Wat moet Jezus geweten
hebben? Hoor Zijne eerste woorden, «wees
welgemoed» (Matth.) — waarom dit? —
Hij zag het hart van den man — de ellende
zijner ziel — zijn nederigen, berouwvollen
gemoedstoestand — zag ook, dat hij het
meest naar geestelijke zegening verlangde.
(b) Wat lezen wij nog meer, dat Jezus
wist? — (ihun geloof ziende» — zouden
de vrienden van den armen man al deze
moeite genomen hebben, indien zij niet
op Zijn macht en liefde hadden vertrouwd ?
Trachten wij ook iemand in het geloof
tot Jezus te brengen? Wees verzekerd, dat
Hij het ziet, en ons niet zal teleui-stellen.
(c) Jezus wist nog iets, vers 8. De
Farizeërs hadden het niet uitgesproken —
wij lezen zelfs niet, dat zij het elkander
loelluistei-den — toch las Hij hunne ge-
dachten (verg. Matth. XH : 25; Luk. VI: 8,
VII : 39, 40; Joh. II : 24, VI : 61, 64,
XXI : 16; Openb. II : 23).
Jezus had zich het recht toegekend om
te doen wat God alleen kan doen. Heeft
Hij niet bewezen, dat dit Hem toekwam,
door te toonen, dat Hij weet wat God alleen
kan weten? Boetvaaidigheid, geloof, mur-
mureermgen — Hij weet in welke harten
deze te vinden zijn. Wij zien dus:
(2) Christus, de harten beproe-
vende.
111.
Maar zij konden weldenken: «Eigenlijk
is het gemakkelijk te zeggen, uwe zonden
zijn vergeven — maar hoe blijkt het of
dit werkelijk zoo is?» Jezus zal toonen,
dat Zijn goddelijk gezag niet slechts iets
is, dat Hij voorgeeft te hebben, maar iets,
dat zij allen op de proef kunnen stellen.
Dit heeft Hij reeds gedaan door hunne
gedachten te lezen, nu zal Hij nog een
duidelijker bewijs geven. Van welken aard?
Evenals gij, indien gij een bede om tijde-
lijken zegen vei hoord zaagt, meer getroffen
zoudt zijn, dan indien het een geestelijke
ware, zoo zouden ook zij een wonder aan
het lichaam grooter achten dan een aan
de ziel — en toch, welk is het giootste?
Hij spreekt nu tot de Schiiftgeleerden —
«maar opdat gij moogt weten,» enz. —
dan bleekt Hij af — wendt zich tot den
hulpeloozen ki eupele aan Zijne voeten en
zegt: nSta op!»
Hoe kan een man met verlamde
ledematen opstaan? Toch doet hij het
dadelijk. Zie hoe de menigte, die hem niet
door wilde laten om binnen te komen,
nu uiteenwijkt om hem in sfaat testellen
weg te gaan. Is dit een droom? — Uit
hun blikken, uit hetgeen zij gevoelen, zou
men dit bijna denken; wondei-en hebben
zij vroeger reeds gezien, maar dit is iets
geheel nieuws (Luk.) (Zie Aant. 7).
Volgen wy den man, die veigeving ont-
vangen heeil. en genezen is, genezen naar
het lichaam en naar den geest — hij draagt
de mat, die hem zoo lang gedragen heelt —
welk eene thuiskomst! Wij zien dus:
(3) Christus, het lichaam ge-
nezende.
Gezag om te genezen — kennis van
alle harten — macht om gezondheid des
lichaams en alle goede dingen te geven —
het is alles in Jezus vereenigd. Waarom
in Hem? Omdat Hij, ofschoon in waarheid
een mensch, niet alleen mensch is —
«God met ons» (Matth. I : 23; Joh.
I : 1, 14; 1 Tim. Hl : 16; Hebr. I : 8).
Hij kent onze hai ten, leest onze ge-
dachten ook nu. Wat ziet Hij, dat ons het
meest waard is — Zijne geestelijke of Zijne
lijdelijke zegeningen? Indien (zooals in
een sprookjesboek) eene fee ons beloofde
wat wij het liefst wilden hebben, wat zou
het dan zijn ?
Zijn vergeving en genade ons wel iets
waard; maar geld, genoegen, voorspoed,