Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
118
XXV. DE GERAAKTE. 118
schi-eit? Maar jongens en meisjes geven
niet om hetgeen het best vooi- hen is
(geestelijke zegeningen) — waarom ? — zij
gevoelen have waarde niet (evenals een
klein kind de voorkeur zal geven aan
speelgoed boven een bankbiljet). Lees heden
hoe Jezus eerst Zijne beste gave, en nader-
hand ook de mindere gaf.
aJezus is weder thuisgekomen!» (Zie
Aant. 1) — dit is de kreet, welke van
mond tot mond gaat in Kapernaüm. Zie
welk een toeloop van menschen! Zij dringen
zich in het huis — de toegang is versperd,
de menigte staat tot buiten op de straat —
niemand kan meer binnenkomen.
Hier komen vier mannen aan — wat
dragen zij? — «Ik bid u, laat ons door!» —
onmogelijk — wat nu te doen? Kunnen
zij niet wachten tot morgen, of totdat
Jezus uit het huis zal gaan? Maar de man
is niet alleen hulpeloos naar het lichaam,
door zijne verlamde ledematen — hij is
ook ellendig naar den geest (Zie Aant. 4) —
hij gevoelt zijne zonden — weet, dat deze
de reden van zijn lijden zijn — heeft
gehoord, dat Jezus gekomen is om «te
genezen die gebroken zijn van harte»
(Luk. IV : 18) — misschien zal Hij eenige
troostwoorden tot hem spreken, zelfs al
wil Hij zulk een groot zondaar niet ge-
nezen — hij kan niet langer wachten —
moet dadelijk naar Hem toe gaan. Hier is
iemand, die groote behoefte heeft aan een
tijdelijke zegening — en toch, waar denkt
hij het meest aan, aan deze, of aan de
geestelijke zegening?
Maar hoe bij Jezus te komen? Eens-
klaps bedenken zijne goede viienden, die
hem dragen, een plan — zij vragen toe-
lating tot het huis daarnaast — begeven
zich op het platte dak — stappen dan
over op het dak van het huis — zien
neder op de binnenplaats — zien, dat deze
vol menschen is — merken ook Jezus op,
die onder een veranda zit te leeren. {Zie
Aant. 3). Snel nemen zij de pannen op
van de veranda vlak boven Zijn hoofd —
wat doen zij dan?
Laat ons nu zien wat er buiten plaats
grijpt. De menigte vervult alle hoeken —
allen zwijgen stil — daar wordt langzaam
de mat {Zie Aant. 6) met hare viacht
aan de voeten van Jezus neeigelaten. Zij
kennen Zijne goedertierenheid — maar zal
dit Hem niet ergeren? — Zijne prediking
in het midden afgebroken — op zulk eene
vieemde wijze gestoord? Toch is er geen
ergernis op Zijn gelaat — alleen mede-
lijden — dan zal Hij ook genezen —
neen — waarom, wat zegt Hij? —
«zonden vergeven!»
Wat denken zij? vers7 — «lasteiingen»
(verg. Matth. XXVI : 65; Joh. X : 33).
Hadden zij gelijk? Ja, voor zoover hun
kennis reikte. Wie kan de zonden ver-
geven? — Waarom alleen God? {Voor-
beeld. — Wanneer Jan, Hendrik kwaad
heeft gedaan, wien moet hij dan om
vergiffenis vragen? Wdlem?) Elke zonde
is eene misdaad tegen God (1 Joh. 111:4;
zie Gen. XXXIX : 9; Ps. LI : 6) — dus
kan God alleen vergeven. Zeide Jezus alleen
maar: «God zal u vergeven, indien gij
er Hem om vraagt»? Neen, maar: «Uwe
zonden zijn u vergeven». — Hoe kon Hij
dat zeggen? Omdat Hij God was; en
evenals God in den hemel de zonde kon
vergeven, zoo kon Hij ook, toen Hij op aarde
kwam en de «Zoon des menschen» werd, alle
zonden vergeven (vers 10). Wij zien dus:
(I) Christus, de zonden ver-
gevende.
11.
(a) Maar waarom schonk Jezus aan
dezen man vergeving? Wanneer wil God
iemand vergeven? Indien hij waarlijk be-
rouw heen. Hoe blijkt dit? God kent het