Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
116
XXIV. DE ZOON DER WEDUWE TE NAlN.
Toch is er iets, dat nog groo-
ter is.
Zie wien God «dood» noemt, Ef. II: 1;
1 Tim. V : 6. Waarom? Kan een dood
lichaam zien, hooren, voelen, spreken,
handelen? En eene doode ziel ziet niet
haar eigen toestand, hoort niet Gods stem,
voelt niet Gods liefde, spreekt niet door
waar gebed en dankbare lofzangen, handelt
niet naar Gods wil. Wie onzer is hieraan
gelijk?
Jezus ontfermde zich over doode zielen.
Zag neer en bemerkte, dat wij dood waren,
en het zelf niet wisten. Wie vroeg Hem
medelijden te hebben en op aarde neer
te dalen? Hij kwam ongevraagd — woonde
zelf te midden van doode zielen — liet
toe, dat zij Hem het leven benamen —
opdat Hij voor hen het leven kocht.
Jezus heeft macht over doode zielen.
Ook dezen hooren Zijne stem tekst om
te leeren), wanneer Hij roept: «Ik zegu,
sta op.» Hij zendt den Heiligen Geest om
in hen den adem des levens te blazen.
Maar de ziel moet levend zijn, eerdat
het lichaam sterft, — anders is zij voor
eeuwig dood. Wanneer zullen uwe lichamen
sterven? — niet voordat gij oud zijt?
zijt gij er zeker van? — {Voorbeeld. —
Een jongen, wien men verteld had., dat
hij misschien jong zou sterven, ging naar
het kerkhof om de graven te meten.
Hij vond er eenige, die korter waren
dan hij zelf).
Luister dan nu naar Jezus' stern, en
zeg: «Ik zal opstaan».
Aanteekeningen.
1. Het tegenwoordige Nein is zonder
twijfel het vroegere Naïn. Ofschoon het nu
een armoedig dorp is, toonen de bouwvallen
aan, dat het eens eene stad met muien
en poorten was. Het ligt op de noordelijke
helling van Ed-Duhy of den kleinen Her-
mon, een der heuvelen in de zuidoostpunt
van de vlakte van Esdraelon. De reiziger,
die van de bergen van Galilea zuidwaarts
gaat, ziet Naïn op de tegenovergestelde
helling. Een weinig ten oosten van het dorp
is de begraafplaats der Muzelmannen, en
de rots aan de westzijde is vol grafspe^
lonken. Naïn is ongeveer 25 mijlen van
Kapernaüm verwijderd.
% De eenige uitzonderingen op het alge-
meene gebruik om buiten de stad te be-
graven, welke de bijbel ons noemt, komen
^oor bij de ter-aarde-bestelling van ko-
ningen (1 Kon. H : 10, XVI : 6, 28;
2 Kon. X : 35, XIH: 9; 2Kron. XVI: 14,
XXVIII : 27) en van sommige andere
personen van hoogen rang (1 Sam. XXV: 1,
XXVni:3; 2 Kron. XXIV: 16). Het werd
als een oordeel tegen Jehojakim aange-
merkt, dat hij geene koninklijke begia-
fenis zou hebben (Jer. XXH : 18, 19).
Kisten werden zelden gebruikt, en, als zij
gebruikt werden, waren zi] open. Gewoon-
lijk werd het lichaam alleen in de lijk-
kleederen gewikkeld, en op een open baar
gedragen. De begrafenis had plaats vóór
zonsondergang, op den sterfdag.
3. De drie gevallen, waarbij Jezus dooden
opwekte, verschillen hierin, dat het tijds-
verloop tusschen den dood en de opwekking
niet bil alle even groot was. De dochter
van Jaïrus lag nog op het bed; de zoon
der weduwe werd naar het graf gedragen;
Lazarus was vier dagen in het graf geweest.
Het is merkwaardig, dat deze wonderen
verricht werden aan een eenigen zoon, een
eenige dochter en een eenigen broeder.
Altijd richtte Christus rechtstreeks het
woord tot den doode: «Jongeling!» —
«Dochtertje!» — «Lazarus!»