Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
115 XXIV. DE ZOON DER WEDUWE TE NAlN.

svelke reeds aan het lichaam ontvlucht
was, hoort en komt terug — het hart
klopt weder — het bloed vloeit weder door
de aderen — er is een levende op de
lijkbaar — hij zit overeind; kan dit een
droom zijn? Neen, want hij spreekt / en
het is de stem van den zoon der weduwe!
Wij hebben gelukkige ontmoetingen gezien,
er van gelezen (b.v. Jakob en Jozef) —
maar wat moet dit geweest zijn?
Zie nu het volk — de inwoners van
Naïn hadden Jezus misschien nog nooit
gezien — wat denken zij? Vers 16 —
<(een groot profeet» — zij herinneren
zich wat Elia en Eliza deden — maar was
Jezus aan hen gelijk? — zij wekten de
dooden op met veel gebed en groote in-
spanning (1 Kon. XVH : 19—22; 2 Kon.
IV : 32—35) — hoe deed Hij het? Waar-
lijk, God had «Zijn volk bezocht» in een
zin, waaraan zij nooit gedacht hadden —
niet door het zenden van een profeet,
maar door Zelf te komen.
Maar die anderen, welke met Jezus waren
gekomen — de menschen van Kaper-
naüm — de discipelen — zij hadden toch
meei wondeien gezien — waarom ver-
wonderden zij zich? Het deed hun een
dieperen blik slaan in twee dingen:
I. Het medelijden van Jezus.
Had Hij zich niet reeds vioeger over
de zieken van hunne stad ontfermd, op
den avond van dien zekeren Sabbat
(Les XXI) — over den Melaatsche — den
Hoofdman? Ja, maar toen werd het Hem
gevraagd. Nu zien zij, dat Hij ook die-
genen liefheeft, die Hem niet kennen —
eene vurige begeerte heeft, om ook hen
te zegenen, die er niet aan denken het
te vragen — gevoelt voor allen, die lijden.
Zijn medelijden behoeft niet door anderen
opgewekt te worden, het komt uit Hem
zelf voort.
Zoo is het nog. Hebt gij droefheid,
zorg, teleurstelling, smart gehad? Jezus
zag het — had medelijden met u, ofschoon
gij nooit tot Hem gingt. Werd het na
eenigen tijd van u weggenomen? Hyhad
dit bewerkt, ofschoon gij het niet wist.
Zoude Hij misschien ooit ophouden aan u
te denken? Maar »Zijne barmhartigheden
hebben geen einde» — Hij is dezelfde
Heer, die «barmhartig is en een ontfei-mer».
Denk aan den vriendelijksten persoon,
dien gij kent — deze is toch niet zoo
rijk aan liefde als Jezus. Schijnt Zijne
liefde u zoo natuurlijk toe? Was er niet
veel in, waarover men zich moest ver-
wonderen? Maar bedenk — wie lijdt het
meest bij het zien van ellende? — een
hardvochtig of een teergevoelig mensch?
Hoe moet Hij niet geleden hebben bij alles,
wat Hij zag! (Hebr. IV : 15; Jes. LHI: 3,
4; LXIH : 9).
II. De macht van Jezus.
Deze hadden zij ook reeds gezien —
over de visschen in het Meer, de booze
geesten, de koorts, de melaatschheid, enz. —
de macht om zelfs op een afstand te ge-
nezen (dienstknecht van den hoofdman);
maar macht over dooden — over het
levenlooze lichaam — over den geest,
welke tot God was teruggekeerd, die hem
gaf! — dit was waarlijk eene ongekende
zaak.
Z^ne macht is ook nu nog dezelfde.
Maar wekt Hij nu de dooden op? Hij zal
het doen, Joh. V : 28, 29. De dood zal
onze lichamen niet houden; indien wij op
Hem vertrouwen. Hem liefhebben, dan
kan de dood onze zielen niet deren.
Zie waarom, Hebr. II : 14, 15; Openb.
1 : 18.
En de dag komt, wanneer er geene
tranen, geen dood meer zullen zijn (Openb.
XXI : 4 en tekst om te leeren).
Zijn deze macht, deze ontferming
groot? —