Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
114
XXIV. DE ZOON DER WEDUWE TE NAlN.
toch deze Les haar doel niet missen, als men het medelijden en de macht
van Christus duidelijk heeft in het licht gesteld; en somtijds is het de beste
toepassing om over het karakter en het werk van den Heer uit te weiden —
evenals men iemand het beste liefde voor een goeden vriend of weldoener in
kan boezemen, niet door aan te dringen op den plicht van hem lief te hebben,
maar door te wijzen op zijne goedheid.
Schets van de Les.
Gij hebt allen leeds dikwijls eene be-
grafenis gezien — gij weet hoe treurig
die is; maar hebt gij ooit de treurigheid
gevoeld — hebt gij ooit een der uwen
zien begraven? — herinner u de smart,
toen de dokter zeide, dat er geen hoop
meer was — het waken bij het ziekbed,
enz. — en toen fluisterde de een den
ander toe «dood» — stilte — geween —
een laatste blik — dan de begrafenis —
het graf —hem (of haar) nimmer meer op
de oude plaats weer te zien — {de
onderwijzer zal deze herinneringen wij-
zigen naar de 'plaatselijke en bijzondere
omstandigheden).
Het is reeds treurig geno'jg, wanneer
er één uit een groot gezin wordt wegge-
nomen — hoeveel te meer, wanneer het
de i'éne van twee personen is. Beschouwen
wij heden zulk een geval.
i. De weduwe en haar zoon gescheiden.
Een weduwe — zij had dus reeds eene
treurige begrafenis gehad vóór deze, mis-
schien nog niet lang geleden, en zij had
zich verheugd, dat, ofschoon haar man
gestorven was, haar volwassen zoon haar
kon ondersteunen; misschien waren er
jaren over heen gegaan — was zij alleen
gelaten met een pasgeboren kindje — had
zij hem opgevoed — haar geheelen aschat®
in hem — (met hoeveel wijsheid had
Jezus gezegd: «Vergadert u geene schatten
op de aarde,» enz.!) Was hij een goed
zoon? Wij weten het niet — maar zoo
ja, welk een verlies voor haar! Is een
onder u een eenig zoon uwer moeder,
en zij eene weduwe? — hoe teedermoet
gij dan voor haar zijn!
Zij staat nu alleen op de wereld —
misschien is zij arm — weet niet wat zij
zal doen — donkere toekomst. Toch heeft
zij vele goede vrienden — zij en haar
zoon waren bemind in de stad — zie hoe
velen de lijkbaar volgen. Door de straten
heen — tot buiten de poort (de Joden
werden buiten de steden begraven) —
beweegt zich de treurige optocht — niet
stilzwijgend zooals bij ons — met luide
weeklachten en geroep (Jer. IX : 17, 18;
Amos V : 16; Matth. IX : 23) — ééne
vrouw weent bittere tranen (verg. Jer. VI:
26; Amos VHI : 10; Zach. XII : 10).
2. De weduwe en haar zoon hereenigd.
Terwijl de optocht de stad verlaat, gaat
eene andere schai e den heuvel op naar de
stad toe (Aant. 1). Zij hebben een langen
weg achter zich, 25 mijl, over de bergen;
van den vioegen morgen af zijn zij op
het pad — zeker zeer vermoeid — wij
zouden meenen, dat zij ternauwernood
een voorbijgaande begrafenis zouden op-
mei ken. Maar Eén is er, die het doet —
Hij weet alles — ziet ook in het treurende
hart dei' weduwe. Hoor Zijne liefderijke
stem, wanneer Hij tot haar spreekt.
«Ween niet»! — niet weenen? — is daar
geen reden voor? maar zie, — de ver-
baasde dragers houden stil op de aanra-
king van Jezus — de menigte verwondert
zich in stilte — Jezus spreekt tot een
lijk, dat niet kan hooren (verg. Rom. IV: 17).
Maar Zijne slem wordt gehoord — de ziel,